Het Limburgs als taal heeft verschillende kenmerken, waarmee het zich onderscheidt van de andere, grotere West-Germaanse talen, met name het Nederlands en het Duits. Dit zijn verschillen op taalkundig gebied, zoals woordenschat (vocabulaire), grammatica en tonaliteit en fonologie (klankleer).
De woordenschat van het Limburgs vertoont niet alleen overeenkomsten met die van het Nederlands en het Duits, maar ook grote verschillen. Hij sluit eerder aan bij het aangrenzende Rijnlandse taalgebied dan bij het Nederlands. Er staan ook weinig woorden die in Limburg gangbaar zijn in het Woordenboek der Nederlandsche taal. Bij het codificeren van de Nederlandse taal zijn Limburgse woorden niet meegenomen, waarschijnlijk omdat ze als niet-Nederlands werden gezien. In het Limburgs zijn ook veel West-Germaanse woorden bewaard gebleven die in het Nederlands niet meer worden gebruikt of als sterk verouderd gelden. Daarnaast bevat de Limburgse woordenschat ook veel woorden van Waalse oorsprong.
De grammaticale structuren van het Limburgs zitten anders in elkaar dan die van het Nederlands en lijken in veel opzichten op de Duitse grammaticale structuren, maar vooral op die van de aangrenzende Rijnlandse dialecten.
Bij meervoudsvormen en verkleinwoorden van zelfstandige naamwoorden wordt dikwijls een umlaut gebruikt (kop - köp – köpke). Ook in de vervoeging van onregelmatige werkwoorden komt dit terug, vooral bij de 2e of 3e persoon enkelvoud (iech kroep – diech krups – ’t krup).
Het Limburgs heeft voor de verleden tijd van regelmatige werkwoorden de uitgang -de, waarbij het Nederlands de uitgangen -de en -te heeft en het Duits -te.
Verder kent het Limburgs voor het werkwoord höbbe een optatief (irrealisconjunctief) of wensende wijs (‘Hej iech mer cent, daan kós ’ch m’ch e book koupe’), die wel in het Duits bestaat, maar niet in het Nederlands.
De gerundiumvorm bestaat alleen in het Limburgs. Dit is een werkwoordsvorm eindigend op -tere, waarmee een gelijktijdigheid van twee handelingen wordt aangegeven (‘Zingentere lepe veer door de straote’).
Ook een belanghebbend voorwerp komt in het Limburgs veel meer voor dan in andere talen (‘iech koup miech e book’).
Deze niet uitputtende opsomming toont grammaticale eigenschappen die elke taaluiting van het Limburgs kenmerken en waarmee het Limburgs wezenlijk verschilt van de buurtalen, vooral het Nederlands.
Distinctieve tonaliteit is een speciaal kenmerk van het Limburgs en houdt het gebruik van een toonaccent in, waarbij er een betekenisverschil wordt gemaakt tussen sleep- en stoottonen. Afhankelijk van de toon waarmee een woord wordt uitgesproken, heeft het een andere betekenis. Het Limburgs deelt die tonaliteit met sommige aangrenzende Rijnlandse dialecten, maar ze is onbekend in het Nederlands en het Duits. Hoewel redelijk frequent voorkomend in Aziatische talen, is deze tonaliteit vrij zeldzaam in Europese talen.
Het gebied waar deze tonaliteit wordt gebruikt, bestrijkt bijna heel Limburg. Hoewel ieder dialect van het Limburgs zijn eigen ‘toongrammatica’ kent, gebruiken ze voor het overgrote merendeel bij dezelfde woorden sleep- of stoottonen.
Het betekenisverschil dat met het toongebruik wordt uitgedrukt kan een verschil tussen enkelvoud en meervoud aangeven van één en hetzelfde woord: ‘ei bein’ (met sleeptoon) – ‘twie bein’ (met stoottoon). Ook kan er met het toonverschil een heel ander woord worden aangeduid: veule met sleeptoon betekent “een gevoel hebben” en met stoottoon “een jong paard”.
De Limburgse klankleer is eveneens fundamenteel anders dan de Nederlandse of de Duitse. Klinkers uit het West-Germaans hebben zich anders ontwikkeld. Verder hebben de Limburgse vocaalstructuren de Nederlandse klankveranderingen niet meegemaakt. Het Limburgs heeft ook klinkers en tweeklanken die in het Nederlands of Duits niet voorkomen. Wel heeft het Limburgs voor een aantal medeklinkers de Hoogduitse klankverschuiving van explosief (k) naar fricatief (ch) meegemaakt (ik – i(e)ch / ook – ouch).
Bronvermelding
Gussenhoven, C., De Limburgse tonen, in: Heijenrath, L., Kroon, S. (ed.), Vereniging Veldeke Limburg Jaarboek 2006, Veldeke Limburg, 2007, 21-32.
Hermans, B., The Composite Nature of Accent: With Case Studies of the Limburgian and Serbo-Croatian Pitch Accent, Amsterdam, 1994.
Keulen, R., Wijngaard, van de, T., Crompvoets, H., Walraven, F. (ed.), Riek van Klank; Inleiding in de Limburgse dialecten, Veldeke Limburg, 2007.
Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal: Advies inzake de erkenning van het Limburgs als streektaal, 1996.