Juridische Status

In de jaren 1990 heeft eerst de Belgische regionale regering van Wallonië en daarna de Nederlandse regering het Limburgs politiek en juridisch erkend als aparte taal. De Belgische federale regering keurde de erkenning af. Hierdoor is het Limburgs in Oost-Limburg onderwerp van de taalpolitiek en het beleid van de regionale overheid. In West-Limburg voert de federale overheid geen taalbeleid voor het Limburgs, maar de regionale overheid van West-Limburg heeft toegezegd haar beleid uit te voeren in de geest van het Europees Handvest.

Mw. Léonie Robroek, voorzitter van de Stichting DOL, heeft als eerste een verzoek gericht aan de Nederlandse overheid om het Limburgs in Oost-Limburg erkend te krijgen als regionale taal onder het Europees Handvest voor regionale en minderheidstalen. In een brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 29 januari 1996 werd haar meegedeeld dat op grond van de door haar aangeleverde informatie het Limburgs kon worden erkend als regionale taal, maar dat de erkenning door de Limburgse overheid moest worden aangevraagd. De Limburgse overheid vroeg Veldeke, de grootste vereniging die zich voor het Limburgs inzet, een verzoek om erkenning voor te bereiden.

Veldeke zette een werkgroep op met zeer specifieke doelen. In het verzoek aan de Nederlandse overheid verklaarde de werkgroep dat het niet de bedoeling was dat het Limburgs van een ‘dialect’ tot een ‘taal’ zou worden gepromoveerd. Limburgs zou verder subsidiair onder het Nederlands moeten blijven functioneren en geen gelijke status krijgen. Bovendien beloofde de werkgroep dat ze niet één standaard voor het geschreven Limburgs zou creëren. Verder werd erkenning gevraagd voor alle dialecten die in het Limburgs worden gesproken, ook de dialecten die niet onder de Limburgse taal vallen. De werkgroep vroeg alleen maar erkenning voor de taal om zo de terugloop van het aantal sprekers van de taal tegen te gaan.
De werkgroep gaf ook aan de Nederlandse overheid aan dat ze zich ervan bewust was dat erkenning de anti-Nederlandse sentimenten in de regio zou kunnen stimuleren. Goede overheidsvoorlichting zou deze ongewenste politieke neveneffecten kunnen voorkomen en de bevolking duidelijk maken wat de erkenning precies inhoudt. De hoop was dat erkenning ervoor zou zorgen dat de overtuiging van de Oost-Limburgers wat betreft hun marginaliteit in de Nederlandse staat zou worden weggenomen en dat dit kon leiden tot acceptatie van een staat waarvan ze om historische redenen onderdeel waren geworden.

Aldus werd er een verzoek geformuleerd voor erkenning onder deel II van het Europees Handvest, waarbij de aanvraag voor erkenning onder deel III als mogelijkheid werd voorbehouden voor een toekomstige datum. Op 20 februari 1997 erkende de Nederlandse overheid op grond van dit verzoek het Limburgs als taal onder het Europees Handvest.

Onder de bepalingen van het Handvest is erkend dat het Limburgs geen dialect van het Nederlands is, maar een taal, apart van de officiële taal. De Nederlandse regering heeft de verplichting op zich genomen om met resolute actie het Limburgs te bevorderen en het gebruik ervan in woord en geschrift te vergemakkelijken en te stimuleren, zowel in het openbare als in het privé-leven. Alle ongerechtvaardigde vormen van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur betreffende het gebruik van het Limburgs die als doel hebben de instandhouding of ontwikkeling van de taal te ontmoedigen of in gevaar te brengen moeten worden weggenomen. De regering moet voorzien in passende vormen en middelen voor het onderwijs in en de bestudering van het Limburgs op alle daarvoor in aanmerking komende onderwijsniveaus. Ook degenen die het Limburgs niet spreken moeten de mogelijkheid hebben om deze taal te leren. Daarnaast moet studie en onderzoek van het Limburgs op universiteitsniveau worden bevorderd. Verder moet de regering zorgen voor instandhouding en ontwikkeling van banden tussen groepen die dezelfde regionale taal gebruiken binnen Nederland of over de grens.

Hoewel het Limburgs juridische zekerheid heeft gekregen, kreeg de taal niet dezelfde officiële status als het Nederlands. Limburgers kunnen hun regionale overheid niet vragen om het Limburgs te gebruiken als bestuurstaal. Voor alle mondelinge en schriftelijke contacten met de overheid moet volgens de wet nog steeds de Nederlandse taal worden gebruikt.
Deel II van het Handvest geeft geen uitdrukkelijk recht om het Limburgs op scholen als voertaal te gebruiken of als vak op school te onderwijzen. Artikel 55 van de Wet op de Kinderopvang schrijft voor dat het Nederlands als enige voertaal mag worden gebruikt in kindercentra. Een uitzondering hierop geldt voor het Fries en regionale talen die levendig in gebruik zijn. Dit betekent dat het Limburgs naast het Nederlands als voertaal in kindercentra mag worden gebruikt. Artikel 9 van de Wet op het basisonderwijs schrijft voor dat het Nederlands als enige voertaal mag worden gebruikt op lagere scholen, maar laat dezelfde uitzondering toe als de Wet op de Kinderopvang.
Ook al geeft deel II van het Handvest geen expliciet recht om het Limburgs als vak op school te onderwijzen, toch lijkt het erop dat dit zo kan worden uitgelegd. Toen in 2004 het Comité van Deskundigen van de Raad van Europa in Limburg de situatie onderzocht, heeft het hierover een vraag gesteld. De vertegenwoordigers van de Limburgse taal hebben echter uitgelegd dat het niet nodig was om het Limburgs als een verplicht onderdeel van het nationale leerprogramma te hebben.

De Nederlandse staat moet weliswaar onder internationaal recht de verplichtingen ten aanzien van het Europees Handvest nakomen, maar helpt op geen enkele manier om die verplichtingen na te komen. In plaats daarvan wordt het nakomen van die verplichtingen aan de Limburgse overheid overgelaten, hoewel Limburg geen partij is bij het Europees Handvest en dus ook niet verplicht kan worden om deze verplichtingen na te komen.

Bronvermelding
Belemans, R. Hoe om te gaan met het inter-Limburgse statusverschil van de dialecten, in: Heijenrath, L., Kroon, S. (ed.), Vereniging Veldeke Limburg Jaarboek 2006, Veldeke Limburg, 2007, 16-20.
Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal: Advies inzake de erkenning van het Limburgs als streektaal, 1996.

European Charter for Regional or Minority Languages of 25 June 1992, CETS no. 148.
European Charter for Regional or Minority Languages, Application of the Charter in the Netherlands, 2nd monitoring cycle, ECMRL (2004) 8.

http://www.opgenort.nl/limburgs/europesestreektaal.php (18-6-2008).
http://www.limburgsedialecten.nl/ (18-6-2008).
http://limburgs.cjb.net/ (18-6-2008).