Voorgeschiedenis

In het gebied wat nu de provincies Oost- en West-Limburg zijn, zijn zeer vroege sporen van menselijke aanwezigheid gevonden. Een jagerskamp in de buurt van Maastricht van meer dan 300.000 jaar geleden toont aan dat Limburg in ieder geval tot de jachtgronden van een oervolk behoorde. Ook zijn er twee kilometer ten westen van Maastricht artefacten van neanderthalers gevonden van meer dan 100.000 jaar oud. Toen rond 8000 v. Chr. het landijs zich uit Limburg terugtrok, begon de mens de Limburgse lössgronden langzaam aan te bebouwen. De bandkeramiekers lieten rond 5300 v. Chr. vooral in het midden van Oost-Limburg hun sporen na. In de steentijd van 4000 - 1500 v. Chr. groeven mijnwerkers naar vuursteen in de mergellagen die ze vonden in het zuiden van Oost-Limburg. In de bronstijd van 1800 - 750 v. Chr. werd vooral de Kempen bewoond door een volk dat onder invloed stond van de Midden-Europese culturen.

In het begin van de ijzertijd vonden er in Limburg en omstreken verschillende invasies plaats van oer-Kelten afkomstig uit Midden-Europa. Ze onderwierpen de mensen die hier woonden en versmolten langzaam met hun cultuur. Deze Keltische Germanen stamden af van de Kurgan-cultuur, die bestond rond 5000 v. Chr. in een gebied ten noorden van de Kaspische Zee. Duizend jaar later verspreidden de volken van deze cultuur zich in de richting van Europa en ongeveer 3000 v. Chr. bevonden ze zich in Scandinavië, de Lage Landen en Noord-Duitsland. De laatste invasiegolf in Limburg betrof een confederatie van stammen, waaronder de Eburonen. Waar de Eburonen zich na hun oversteek precies vestigden is onduidelijk, maar ze hebben in ieder geval hun sporen nagelaten in het oostelijk deel van het Nederlandse rivierengebied, in West-Limburg en rondom Aken.

Rond 57 v. Chr. kwamen de Romeinen naar Noord-Gallië, waartoe het huidige Limburg behoorde, om er hun heerschappij te vestigen. Aan het eind van het jaar 56 v. Chr. was deze heerschappij een feit. In de historische annalen wordt er voor het eerst over Limburg geschreven in verband met een opstand van de Eburonenstam en hun bondgenoten tegen de Romeinse overheersers. In het begin waren de Eburonen onder leiding van Ambiorix de overwinnaars en het lukte hen voor even om het Romeinse juk af te werpen, maar uiteindelijk moesten ze zich toch aan de Romeinen onderwerpen. Het land werd afgenomen en als nieuwste provincie van Gallië bij het Romeinse rijk ingelijfd. De Tungri, een onbekend volk, namen tijdens de overgangsjaren van de eerste eeuwen voor en na Christus de plaats in van de Eburonen. De civitas Tungrorum maakte als bestuurseenheid deel uit van de provincie Gallia Belgica. Haar caput of hoofdstad was Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren.

Tijdens deze periode van Romeinse overheersing vestigden zich Romeinse ambtenaren, handelaren en handwerkslieden - grotendeels afkomstig uit zuidelijk Gallië en de zuidelijke Rijnlanden - in Limburg. Heerlen, Tongeren, Maastricht en Heel waren de hoofdsteden. De boerenhoeves, genaamd villae, waren van Romeinse en Gallo-Romeinse kolonisten. Het zuiden van Limburg was het dichtst bevolkt. Rond 320 n. Chr. zou de bisschop van Aken, Maternus, de eerste bisdommen van Tongeren en Maastricht hebben gesticht.

De overgebleven inheemse bevolking was niet gelukkig met de nieuwe Romeinse overheersing. Zij zagen de Romeinen als plunderaars, die roofden en moordden onder het mom van bewind voeren en vrede brengen. Het bleef niet alleen bij woorden van weerstand. Ook met gewapende middelen stond de inheemse bevolking op tegen de Romeinse aanwezigheid op hun grondgebied. Hierdoor werd de pacificatie van Gallië voor de Romeinen een langdurig proces.

Door deze Romeinse verovering werden de zuidelijke Lage Landen geromaniseerd. Dit in tegenstelling tot de noordelijke Lage Landen die al vanaf de 2e eeuw werden gegermaniseerd. Ook lang na het uiteenvallen van het Romeinse rijk behoorden de zuidelijke Lage Landen, waaronder Limburg, tot een soort van Germaans-Romaans menggebied.

Hoewel er in de 3e en 4e eeuw n. Chr. al sprake was van de afbrokkeling van de Romeinse macht, heeft het tot diep in de 5e eeuw geduurd voordat het Romeinse overheidsgezag volledig instortte. In 459 viel Keulen voorgoed in handen van de Franken, een losse federatie van Germaanse stammen die aanvankelijk een gebied tussen Rijn en Weser bewoonde. Hiermee kwam er ook definitief een einde aan de Romeinse macht in het Limburgse gebied.

Limburg behoorde in die nieuwe Frankische tijd tot een gebied genaamd Austrasië, dat het hartland van de Franken was. Vooral het zuiden van Limburg maakte deel uit van het herkomstland van de latere Karolingische koningsdynastie van de Franken. De Karolingers maakten het Maas-Rijngebied, waartoe Limburg behoorde, tot hun administratief en cultureel centrum. Karel Martel en de Karolingers die hem opvolgden (onder wie Karel de Grote) waren voor de bewoners van Limburg en het aangrenzende Rijnland dan ook inheemse koningen.
De regeerperiode van Karel de Grote duurde van 768-814. In die tijd heerste er in ieder geval binnen de rijksgrenzen vrede. Aan het einde van de regeerperiode van Lodewijk de Vrome, de zoon van Karel de Grote die van 814-840 keizer was, ontstonden er problemen. Er was ook verdeeldheid binnen het Frankische rijk, waar de drie zonen van Lodewijk de Vrome (Lotharius, Lodewijk de Duitser en Karel de Kale) om twistten. Bij het Verdrag van Verdun werd het rijk onder hun drieën verdeeld. Lotharius I kreeg het Middenrijk, waar Limburg deel van uitmaakte. In 855 werd dit Middenrijk weer opgedeeld in een noordelijk en zuidelijk deel. Het noordelijk deel met onder andere Limburg viel onder het gezag van Lotharius II en werd naar hem genoemd: Lotharingen of ook wel Neder-Lotharingen. Vanaf 859, het sterfjaar van Lotharius II, werd er gevochten om Lotharingen. In het Verdrag van Meersen van 870 werd bepaald dat de Maas als grenslijn zou fungeren, waarmee het gedeelte van Limburg ten oosten van de Maas tot het Oost-Frankische rijk ging behoren en het gedeelte ten westen van de Maas tot het West-Frankische rijk.
In de eeuwen rond het eerste millennium nam de macht van de Frankische koningen geleidelijk af en verbrokkelde hun rijk. Met die verbrokkeling begon ook het hartland van het Frankische rijk uiteen te vallen. De omliggende kleinere machten maakten zich meester van delen van het Limburgse gebied en luidden hiermee een tijd van staatkundige verbrokkeling in. Dit begon geleidelijk, maar zette zich vooral in de hoge middeleeuwen door en zou duren tot het einde van de 18e eeuw.

Bronvermelding
Grisart, A., César dans l’est de la Belgique: les Atuataques et les Éburons, in: Les Études classiques, tom. 28, no. 2, 2 avril 1960, 129-204.
Janssens, U., De Oude Belgen; Geschiedenis, leefgewoontes, mythe en werkelijkheid van de Keltische stammen, The House of Books, 2007.
Jappe Alberts, W., Geschiedenis van de beide Limburgen, Van Gorcum, Assen, 1972.
Nouwen, R., Tongeren en het Land van de Tungri (31 v. Chr. – 284 n. Chr.), Eisma Leeuwarden/Mechelen, 1997.
Ras, de, J., Histoire de Maestricht, 1ère partie; depuis son origine jusqu’au XII siècle, suivi d’un mémoire historique, diplomatique et critique sur la souverainité du Prince-Évêque de Liège à Maestricht, Clymans, Louvain, 1899.
Robinson, O. W., Old English and its closest relatives; A survey of the earliest Germanic languages, Stanford University Press, 1992.
Roymans, N., Ethnic Identity and Imperial Power. The Batavians in Early Roman Empire, in: Amsterdam Archaeological Studies, 10, Ch. 4, Amsterdam, 2004.
Schönfeld, M., Slicher van Bath, B. H., Boeren, P. C., Friezen, Saksen, Franken; Lezingen gehouden voor de Dialect-Commissie der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen op 14 mei 1947, in: Bijdragen en Mededelingen der Dialecten-commissie van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen te Amsterdam, X, Noord-Nederlandsche Uitgeversmaatschappij, Amsterdam, 1947, 47-68.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.