De verbrokkelde staatkundige situatie kon niet voorkomen dat er in het Maas-Rijngebied een eigen geestelijke cultuur bloeide, die vooral bekend staat als Maaslands. Deze cultuurperiode duurde tot het midden van de 13e eeuw en kende een bloei van architectuur, beeldhouwkunst, geelgieterskunst en edelsmeedkunst. Ook de boekversieringskunst - ter verfraaiing van de eigen, hoogstaande Limburgse literatuur - kende een bloeiperiode.
Het Maas-Rijngebied was onder andere dankzij de kloosters al in de Karolingische tijd (vooral in de 9e eeuw) bekend om zijn documenten in de volkstaal. Hoewel er uit deze periode geen teksten zijn overgeleverd, is het zeer waarschijnlijk dat er literatuur in de volkstaal werd geschreven. Dit gebied was een uniek Europees cultuurcentrum dat bij geen enkel ander cultuurcentrum hoorde. De meeste cultuurcentra in Europa, zoals het Nederlandse of het Duitse, bestonden immers nog niet.
In tegenstelling tot de meeste buurtalen wordt het Oudlimburgs (Oudnederoostfrankisch) net als het Oudnederlands (Oudnederwestfrankisch) gekenmerkt door een bijna compleet ontbreken van samenhangende teksten. Alleen de Wachtendonck Codex biedt een groter tekstcontinuüm. Alleen in het Engels bestaan oudere tekstfragmenten dan in het Limburgs, terwijl het Duits, Nederlands en andere Europese talen later volgen.
De Wachtendonk Codex (ca. 900) is de oudst bekende tekst in het Limburgs en is waarschijnlijk afkomstig uit het West-Limburgse vrouwenklooster van Munsterbilzen, dat in de 10e eeuw een belangrijke abdij was voor adellijke nonnen. De tekst heeft de vorm van boventiteling. De Latijnse grondtekst bestond uit de Karolingische psalmen van de Ier Alcuin, die rond 790 aan de paleisschool van Karel de Grote in Aken geredigeerd werden voor het onderwijs tijdens de Karolingische renaissance. Ook werd er een letterlijke vertaling van de woorden in het Limburgs gegeven. Door deze glossen of aantekeningen werd het Oudlimburgs als hulptaal gebruikt voor het beter aanleren van het Latijn. Omdat bij deze vertaling de Latijnse woordvolgorde is aangehouden, kunnen er geen conclusies worden getrokken over de zinsbouw van deze vroege vorm van het Limburgs.
De eerste echte zin in het Limburgs staat ook in een document uit het Munsterbilzense klooster. Onderaan een lijst van bijna dertig namen van mensen die in het klooster woonden, staat in het Limburgs en Latijn geschreven:
Bronvermelding
Helten, van, W. L., Die altostniederfränkische Psalmenfragmente, die Lipsius’schen Glossen und die altsüdmittelfränkischen Psalmenfragmente, Groningen, 1902.
Janssens, J. D., In de Schaduw van de Keizer; Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130–1230), Walburg Pers Zutphen, 2007.
Kyes, R. L., Dictionary of the Old Low and Central Franconian Psalms and Glosses, Niemeyer Tübingen, 1983.
Robinson, O. W., Old English and its closest relatives; A survey of the earliest Germanic languages, Stanford University Press, 1992.
Tervooren, Helmut, Van der Masen tot op den Rijn; ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas, Historisches Verein für Geldern und Umgegend (105), 2005.
Vries, de, J. W., Willemyns, R., Bruger, P., Het verhaal van een taal; negen eeuwen Nederlands, Prometheus Amsterdam, 1993.
Willemyns, R., Het verhaal van het Vlaams; De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 2003.
http://www.ned.univie.ac.at/publicaties/taalgeschiedenis/en/anltexte.htm (28-5-2008).