Oudlimburgs

In het midden van de 9e eeuw kwam er een einde aan de Pax Franca, de Frankische vrede, die ruim een eeuw had geduurd. Tussen 830 en 850 kreeg het Limburgse gebied invallen van de Noormannen te verwerken. Tussen 879 en 884 was er nog een gewelddadige golf van Noormaninvallen. In 881 werd Maastricht aangevallen, geplunderd en gedeeltelijk verwoest. Tot 891 trokken de Noormannen door het Rijnland en Limburgse Maasland, waarbij ze een spoor van vernieling en verwoesting nalieten.

De verdeeldheid binnen het Frankische rijk door de ruzie tussen de drie kleinzonen van Karel de Grote - Lotharius, Lodewijk de Duitser en Karel de Kale - hielp niet om zich de Noormannen van het lijf te houden. Vanaf de dood van Lotharius II in 859 werd er gevochten om Lotharingen. In het Verdrag van Meersen van 870 werd bepaald dat de Maas de grenslijn werd, waarmee het gedeelte van Limburg ten oosten van de Maas tot het Oost-Frankische rijk ging behoren en het gedeelte ten westen van de Maas tot het West-Frankische rijk.

Bij het Verdrag van Ribemont in 880 werd Neder-Lotharingen, waaronder Limburg, onderdeel van het Oost-Frankische rijk, het latere Duitse Rijk. Ondanks het feit dat het hartland van het Frankische rijk hiermee onder Oost-Frankische heerschappij kwam, maakten de West-Franken er erfaanspraak op. De keizers van Oost-Francië probeerden door de aanstelling van hertogen hun invloed op Neder-Lotharingen te vergroten, ten koste van de Lotharingse edellieden. De Lotharingers probeerden zoveel mogelijk onafhankelijkheid te bewaren door in plaats van de keizer de West-Frankische koning in het land toe te laten. Hoewel er veel meer gebeurtenissen plaatsvonden, kenmerkte Lotharingen zich in die tijd door het voortdurend zoeken naar een eigen plaats in Europa. Lotharingen wilde zich gedurende zijn gehele bestaan niet aansluiten bij de West- of de Oost-Franken, maar zich tussen deze twee een eigen plaats verwerven.

Toen Lodewijk het Kind in 911 stierf, erkende de Neder-Lotharingse adel eerst de West-Frankische koning Karel III de Eenvoudige als hun heer, maar in 925 keerden ze terug naar het Oost-Frankische rijk, waar Hendrik I koning was. Sinds die tijd behoorde Neder-Lotharingen, waarbij Limburg hoorde, tot het Duitse rijk. Veel machtige Lotharingse families hebben zelf geprobeerd over Neder-Lotharingen te heersen of de toekomst van Neder-Lotharingen te beïnvloeden. Dit bracht echter geen politieke en staatkundige eenheid. De enige eenheid werd gevormd door de katholieke kerk, die Limburg als bisdom onder Luik had geplaatst.

In deze tijd was de staatkundige situatie van Limburg fundamenteel anders dan die van de noordelijke Lage Landen. Holland, Zeeland, Gelre en Utrecht vormden graafschappen, die als basis dienden voor de Republiek der Verenigde Provinciën en de latere provincies van het Koninkrijk Nederland. In Limburg bleef tot aan het einde van de 18e eeuw een staatkundig verbrokkelde situatie bestaan, met steeds veranderende grenzen en andere staten die zich de soevereiniteit over Limburgse gebieden toe-eigenden.

Rond het einde van de 11e eeuw werd Lotharingen, ondanks de verbrokkeling, gezien als een apart land, net als andere gebieden in Europa, zoals: Provence, Aquitaine, Bretagne, Schotland, Engeland, Normandië, Frankrijk, Bourgondië, Lombardije en Apulië.

Bronvermelding
Boeren, P. C., Frankische Tijd en Vroege Middeleeuwen, in: Limburgs Verleden, deel II, 1-26.
Boone, de, W. J., De Franken, in: Limburgs Verleden, deel I, 165-188.
Hardenberg, H., De Romeinse tijd, in: Limburgs Verleden, deel I, Maastricht, 1960, 117-164.
Jappe Alberts, W., Geschiedenis van de beide Limburgen, deel I, Van Gorcum Assen, 1972.
Jappe Alberts, W., Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers, Elsevier Amsterdam, 1981.
Linssen, C. A. A., Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen, Van Gorcum Assen/Maastricht, 1985.
Robinson, O. W., Old English and its closest relatives; A survey of the earliest Germanic languages, Stanford University Press, 1992.
Schaetzen, de, Ph., De Romeinen in de Haspengouw, Limburgs Haspengouw 1951, 47-76.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.