Taal & Gebruik

Met de toenemende staatkundige verdeeldheid van Limburg en de toenemende invloed van de verschillende overheersers van de Limburgse gebieden, werd er ook geleidelijk een einde gemaakt aan het gebruik van het Limburgs als bestuurstaal, vooral in de 17e en 18e eeuw. Rond 1800 spraken veruit de meeste Limburgers in Oost- en West-Limburg Limburgs. Schrijven in het Limburgs gebeurde wel, maar niet zo vaak. Eén van de weinige voorbeelden komt uit Heerlen, namelijk een geschreven stuk in het Limburgs uit het aantekeningenboekje van Andries Hoenen uit Heerlerheide, geboren in 1760.
De talen die in de 17e en 18e eeuw om bestuursredenen door de overheersers van buiten Limburg waren ingevoerd, werden ook rond 1800 gebruikt voor rechtspraak en overheidsadministratie en voor schriftelijke en vaak ook mondelinge communicatie met de overheid.
De bestuurstaal van de prins-bisschop van Luik was Frans. Hij was medeheer van Maastricht en heerste over het graafschap Horn en het graafschap Loon, dat het grootste deel van West-Limburg besloeg.
Met de komst van de Nederlandse ambtenaren werd het Nederlands ingevoerd als officiële bestuurstaal in de delen van Oost-Limburg die onder de heerschappij van de Republiek stonden. Dit was het deel van Maastricht dat onder de Republiek viel en de helft van de Landen van Overmaas, te weten een deel van het graafschap Daelhem, de heerlijkheid ’s-Hertogenrade en het graafschap Valkenburg. Verder werd het Nederlands ingevoerd in het Staats Overkwartier van Gelder, met Venlo, Stevensweert en het Ambt Montfort (met uitzondering van Swalmen en Elmp).
De Oostenrijkers gebruikten het Frans als officiële bestuurstaal. Dit betekende dat de inwoners van Roermond, Weert en de andere helft van de Landen van Overmaas, met name Daelhem, ’s-Hertogenrade en Valkenburg, met een Franstalige overheid te maken kregen.
De koning van Duitsland bezette het Duitse Overkwartier van Gelder, dat bestond uit het grootste deel van noordelijk Oost-Limburg, waaronder Venray en Horst. Het Duits verving hier het Limburgs als bestuurstaal. Sittard was vanaf 1555 één van de eerste plaatsen die de Middellimburgse schrijftraditie verving door de Hoogduitse.

In de Franse tijd van 1794 tot 1814 waren de Franse levenswijze, wetten en taal overheersend. De Limburgers kregen te maken met een Franse taalpolitiek die zich intolerant opstelde ten aanzien van minderheidstalen. Deze politiek was een voortzetting van de Franse ijver om alles wat in hun ogen patois was - of het nu Provençaals, Bretons, Catalaans of Baskisch was - te vervangen door de glorieuze taal van Racine en Voltaire. Er werd een strenge verfransingspolitiek gevoerd, waarbij de bestuurstaal voor alle ambtelijke documenten uitsluitend Frans mocht zijn. Vanaf 1794 mocht de burgerlijke rechtspraak alleen in het Frans worden gevoerd en officiële stukken mochten vanaf 1803 uitsluitend in het Frans worden geschreven. Alleen de invoering van het Frans in het basisonderwijs ondervond moeilijkheden, maar dit betrof niet de hele bevolking. Waarschijnlijk was 50 % van de mannen en 70 % van de vrouwen analfabeet. Analfabetisme kwam meer voor op het platteland dan in de steden.
Vanaf 1803 werd de taalpolitiek wat losser gelaten. Naast het Frans mocht nu ook het Vlaams als bestuurstaal worden gebruikt, omdat veel ambtenaren geen Frans spraken. Met Vlaams werd natuurlijk op dat moment niet een bestaande eenheidstaal bedoeld, maar de dialecten van het West-Germaans die in het zuiden van de Lage Landen werden gesproken en waarmee ook die van het Limburgs werden bedoeld. In het departement van de Roer was nu naast het Frans ook het Duits als bestuurstaal toegestaan.
Omdat echter de bovenlaag van de bevolking al sterk was verfranst en het volk politiek geen factor van betekenis speelde, was er weinig weerstand tegen de Franse taalmaatregelen. Frans was immers voor 1794 al een belangrijke taal. De mode en het toneel waren al voor de bezetting geheel op Parijs gericht. Veel Limburgers werden ook beïnvloed door het nabijgelegen Wallonië. Dit gold zeker voor West-Limburg, dat eeuwenlang onder het prinsbisdom Luik viel, maar ook voor veel delen van het midden en zuiden van Oost-Limburg. Hier werden voornamelijk kranten uit Luik gelezen. In de Franse tijd mocht er vanaf 1810 maar één krant per departement verschijnen, maar voor niet-Franstalige departementen werd een tweetalige uitgave toegestaan. In Maastricht kwam er alleen een Franstalige krant uit. Ook het toneel werd nu alleen nog maar in het Frans opgevoerd, wat eigenlijk al voor de Franse tijd het geval was.

Nadat de Nederlanders de heerschappij over Limburg van de Fransen hadden overgenomen, kondigde Willem I aan dat het Nederlands als landstaal van de zuidelijke Lage Landen moest worden beschouwd. Met zijn autoritaire stijl werd het Nederlands van bovenaf opgelegd als bestuurstaal. Hierbij werd uitgegaan van twee denkwijzen. De ene was afkomstig van de Franse Revolutie en luidde: één staat, één taal. De andere kwam uit de Duitse gebieden en luidde: één taal, één volk.
Meteen na 1815 begon de Nederlandse regering maatregelen te nemen om in alle nieuwe, overgenomen gebieden in de zuidelijke Lage Landen het Nederlands als officiële landstaal in te voeren. Verschillende overheidsdiensten in Maastricht en waarschijnlijk ook in andere delen van Limburg schaamden zich in 1816 nog voor de Nederlandse taal. Van directeur tot laagste ambtenaar sprak men geen woord Nederlands en weigerde men aktes die in die taal waren opgesteld te registreren. Met het taalbesluit van 1819 - dat werd gepresenteerd als de brenger van gewaarborgde taalvrijheid - werd het Nederlands in één klap tot bestuurstaal verklaard voor Limburg, de Vlaamse provincies Oost- en West-Vlaanderen en Antwerpen. Alle officiële documenten mochten vanaf dat moment alleen nog maar in de Nederlandse taal verschijnen. Dit betekende dat het gebruik van iedere andere taal werd verboden, of dit nu Frans (tot op dat moment de bestuurstaal) of Limburgs was.
Dit gebeurde niet zonder tegenstand van het volk, dat de Hollandse taal niet als zijn eigen taal beschouwde. Verder waren de meeste ambtenaren ook niet in staat om aan dit besluit gehoor te geven, omdat ze helemaal geen Hollands spraken. Als reactie hierop paste de Nederlandse regering in 1817 taaldwang toe. Iemand die de Nederlandse taal niet kon spreken en schrijven zou niet meer kunnen worden benoemd of bevorderd in een overheidsfunctie in Limburg. Degenen die al in overheidsdienst waren, zouden worden verplaatst of op wachtgeld worden gezet als ze zich het Nederlands niet eigen maakten. Het is niet bekend in hoeverre men hier in het begin uitzonderingen voor heeft moeten maken. Limburgers spraken immers geen Nederlands.
De door de Nederlanders benoemde gouverneur van Limburg De Brouckère was een voorstander van het gebruik van het Nederlands, maar hij kon niet tegengaan dat het Limburgse parlement (Provinciale Staten) uitsluitend Frans gebruikte. Van het Limburgse parlement was dan ook geen Nederlands te verwachten. In 1830 waren er maar drie leden die zich voldoende konden uitdrukken in de Nederlandse taal. In 1829 werd de taalkwestie tegen een uitdrukkelijk verbod in uitvoerig besproken en werd er een verzoek aan de koning gericht om taalvrijheid toe te laten. In het noorden van de Lage Landen bestond er geen taaldwang. Waarom in de zuidelijke Lage Landen dan wel?
In die tijd spraken niet alleen de Limburgse politici geen Nederlands, maar ook de hoge ambtenaren deden dit niet. Advocaten en notarissen in Limburg deden in de beginjaren van de Nederlandse tijd ook geen moeite om Nederlands te leren en te gebruiken en de lagere clerus, die in het zuiden de volkstaal sprak, verzette zich tegen de invoering van het Nederlands. De vrees overheerste dat met het Nederlands ook het calvinisme geleidelijk zou worden ingevoerd.
Onderwijs was voor de Nederlandse regering een belangrijk instrument om de vernederlandsingspolitiek in Limburg op de langere termijn toch te kunnen doorvoeren. Door middel van het onderwijs van lagere school tot universiteit kon men kinderen dwingen om van jongs af aan Nederlands te leren, wat op den duur voor vernederlandsing zou zorgen. Aanvankelijk (1817) liet Willem I het gebruik van regionale talen nog toe en was het alleen verplicht om Nederlands als schoolvak te gegeven, net als bijvoorbeeld Frans. Maar in oktober 1823 werd gebruik van het Limburgs in de klaslokalen verboden en mocht vanaf ieder nieuw schooljaar uitsluitend het Nederlands als voertaal worden gebruikt. Vanaf het schooljaar 1828-1829 was het Nederlands dus de verplichte voertaal in alle klassen van het lager onderwijs. Daarnaast werd er een verplichte leergang Nederlandse taal- en letterkunde ingesteld voor alle leerlingen. Dit proces zou zich in Oost-Limburg doorzetten, maar onder druk van ouders moest toch ook het Frans weer als voertaal in het Oost-Limburgse onderwijs worden toegelaten. Ook in de Limburgs-Duitse grensregio waren er problemen. In deze regio was het gebruikelijk om op school Duits te spreken en de Limburgers stonden erop om Hoogduits te gebruiken. Gemeenten keerden vaak het onderwijsgeld niet uit aan de leerkrachten als ze de kinderen geen Hoogduits leerden.
In heel Limburg ondervond de vernederlandsingspolitiek het probleem dat er geen onderwijzers waren die het Nederlands voldoende beheersten om het de kinderen te kunnen leren. Verder had West-Limburg jarenlang deel uitgemaakt van Luik en was Maastricht in deze tijd op Brussel na de meest verfranste stad in de zuidelijke Lage Landen. Enkele oostelijke delen van Oost-Limburg hadden juist weer jarenlang onder Duitse heerschappij gestaan. Er was in Limburg dan ook geen enkele basis voor het Nederlands. De regering in Den Haag bedacht dat er naast de wettelijke dwang ook positieve maatregelen nodig waren. Een zeer succesvolle maatregel was het verspreiden van gratis onderwijsmateriaal in het Nederlands. Pas na een lange overgangsperiode raakten de Oost-Limburgers, vooral door het onderwijs in de Nederlandse taal, wat vertrouwder met deze vreemde taal.
Door de Belgische afscheiding zou dit proces in West-Limburg echter worden onderbroken. In de nieuwe Belgische staat werd alles wat Nederlands was afgeschaft en werd er een verfransingspolitiek doorgevoerd. Tot rond 1870 zou het onderwijs, maar ook het officiële taalgebruik, in West-Limburg opnieuw worden verfranst. Daarna, vooral vanaf de Tweede Wereldoorlog, werd er onder invloed van de Vlaamse Beweging een nieuwe vernederlandsingspolitiek ingezet, waarbij iedereen in het Vlaamse deel van België de Nederlandse standaardtaal moest leren. Alles wat niet aan deze normtaal voldeed, dus ook het Limburgs, werd gebrandmerkt als onbeschaafd.
De taaldwang zou echter voortduren tot in onze huidige tijd, zowel in Oost- als in West-Limburg. Het gebruik van het Nederlands door overheidsdiensten zou langzamerhand gewoonte worden, hoewel dit in West-Limburg later het geval was dan in Oost-Limburg. De wetten die het Nederlands als enige taal voorschrijven en het gebruik van het Limburgs verbieden, zijn echter grotendeels tot heden blijven bestaan, zelfs na de erkenning van het Limburgs als taal in Oost-Limburg in 1997.

In Oost-Limburg ontstond er een positieve belangstelling voor de eigen sociaal-culturele identiteit, aanvankelijk - voor de Belgische afscheiding - voorzichtig, maar vanaf 1840 zeer nadrukkelijk. Roermond gold in 1838 als voorloper met de oprichting van de Société Dramatique de Ruremonde (de Dramatiek), in 1840 gevolgd door Maastricht met de oprichting van de sociëteit Momus. De grote namen van de begintijd in Roermond waren Charles Guillon en Emile Seipgens, terwijl G. D. L. Franquinet, Laurent Polis en Alfons Olterdissen de bekende kopstukken in Maastricht waren.
Beide gezelschappen hadden nauwe banden met elkaar. Hun gemeenschappelijke, expliciete doel was om de eigen moedertaal nooit te vergeten. Vooral binnen deze culturele organisaties ontstond er een toenemende belangstelling voor de Limburgse taal. De leden van beide sociëteiten verzorgden veel publicaties in hun dialect van het Limburgs. Ook werden er veel Limburgstalige toneelstukken opgevoerd. In het begin werd er nog steeds veel gebruik gemaakt van het Frans, maar tussen 1850 en 1918 nam de rol van het Frans voortdurend af. Door de grotere aandacht voor de eigen taal kreeg het Frans steeds minder prestige. En hoewel er na verloop van tijd ook meer Nederlands zou worden toegelaten, hadden de Nederlandse taalwetten weinig invloed op het Limburgse culturele leven.
De Momus werd trouwens opgericht door een groep liberale burgers die anti-Nederlands waren en aansluiting met België wilden. De doelstellingen en discussies waren echter vaak zo fanatiek en politiek geladen dat men, voor het behoud van de sociëteit, besloot om geen politieke, religieuze of persoonlijke doelen meer toe te laten. Ook het Limburgs mocht dus niet meer voor politieke discussie worden gebruikt. Of dit ook regel was bij de Dramatiek is niet bekend. Emile Seipgens heeft wel een Limburgstalig, politiek toneelstuk over verkiezingen geschreven, maar dit lijkt eerder uitzondering dan regel.
Ook de geestelijkheid in Limburg had een aandeel in de nieuw gevonden aandacht voor de eigenheid van Limburg. Op het seminarie - dat tot 1843 was gevestigd in Rolduc - werd naast het Frans ook onderwijs in het Limburgs gegeven. Toen het seminarie vanaf 1843 in Sint-Truiden werd voortgezet, kregen Limburgse seminaristen ook daar lessen in de eigen taal en cultuur.

De hervonden belangstelling voor de eigen taal uitte zich niet alleen in een renaissance van de Limburgstalige literatuur, maar er kwam ook wetenschappelijke belangstelling. Zo werd de eerste aanzet gegeven voor het maken van woordenboeken van elk lokaal dialect van het Limburgs. In 1884 publiceerde men in Heerlen als eerste een Limburgs-Nederlands woordenboek, waarin ook hoofdstukken waren opgenomen over klank- en woordleer, de Limburgse vervoeging van werkwoorden, spreekwoorden en gezegdes en een gedeelte met historische aantekeningen.
In het begin van de 20e eeuw verzamelden de hoogleraren Schrijnen en Van Ginneken, samen met de inspecteur voor het lager onderwijs Verbeeten, materiaal over het gebruik van het Limburgs. Begin jaren 1960 maakte hoogleraar Weijnen aan de hand van dit materiaal een begin met het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD), dat in 2008 zou worden voltooid. Verder werden er vooral vanaf de Tweede Wereldoorlog veel woordenboeken gemaakt van lokale dialecten van het Limburgs.

Aanvankelijk beperkte deze renaissance zich voornamelijk tot Oost-Limburg. West-Limburg werd in de 19e en 20e eeuw steeds meer meegetrokken in de Vlaamse Beweging, die als voorstander van de emancipatie van de Vlamingen en hun Vlaamse dialecten tegenover de Franstaligen stond. Het doel van de Vlaamse Beweging vroeg om interregionale samenwerking. De West-Limburgers hielden enigszins afzijdig zich van deze beweging. Dit is niet verwonderlijk als men bedenkt dat de West-Limburgers hun volkstaal zeker nog tot rond 1850 Duits of Duts of Diets noemden. Dit was duidelijk anders dan hoe de Nederlanders en Vlamingen hun taal noemden, namelijk Nederduitsch of Nederlands en Vlaams. Tussen Nederlanders en Vlamingen werd kennelijk een soort taalverbondenheid gevoeld, waarvan de West-Limburgers in 1850 vonden dat ze er geen deel van uitmaakten. Hoewel ze zich enigszins afzijdig hielden van de Vlaamse Beweging - wat door de Vlamingen vaak met wantrouwen werd bekeken - werd de ontwikkeling van hun zelfbewustzijn er toch door geremd. In West-Limburg bleef de bloei van een eigen schrijfcultuur in het Limburgs, zoals in Oost-Limburg, hierdoor beperkt. Alleen Jules Frère uit Tongeren schreef in het Limburgs van zijn woonplaats, maar dat was pas in het eerste kwart van de 20e eeuw.

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog waren de officiële schrijftaal en het onderwijs dan ook sterk vernederlandst, vooral in Oost-Limburg. Het Frans had weinig betekenis meer. Voor speciale culturele uitingen werd er ook geschreven Limburgs gebruikt en ondanks de vernederlandsingspolitiek bleef het Limburgs de alledaagse spreektaal.

Als onderdeel van de verdere bewustwording van de eigen identiteit ontstond in 1926 in Oost-Limburg de vereniging Veldeke. De sterke instroom van het Nederlands na de Eerste Wereldoorlog is één van de redenen geweest voor de oprichting van Veldeke door E. Jaspar en J. van Wessem. Het doel van Veldeke was het behoud van het Limburgs in gesproken en geschreven vorm en het streven naar een uniforme schrijfwijze, omdat dit het schrijven in de verschillende dialecten van het Limburgs zou bevorderen.
Enkele oprichters van Veldeke, zoals dr. E. Jaspar, hadden een paar jaar eerder met de anti-secessionisten een pro-Nederlandse campagne gevoerd. Anderen, zoals Jules Schaepkens, Sassen en Kemp, hadden zich juist pro-Belgisch opgesteld. Tijdens de oprichtingsbijeenkomst werd er gepraat over de begrenzing van het werkterrein. Uiteindelijk besloten de leden om de provincie Oost-Limburg tot werkterrein te verklaren en de blik op Nederland te richten. Deze focus op Nederland in plaats van België werd nog eens versterkt toen dr. Jaspar tot tweede voorzitter werd benoemd.
De vereniging probeerde ervoor te waken om het Limburgs te gebruiken voor het uiten van anti-Nederlandse sentimenten of andere politieke opinies. Artikel 2 van de oprichtingsstatuten van Veldeke op 26 januari 1926 verbood expliciet de verspreiding van politieke boodschappen in geschreven Limburgse taal. Wel trok Veldeke vanaf het begin een politieke lijn voor de status van de Limburgse taal, wat het best naar voren komt in de slogan: onze taal het dialect. Enerzijds werd niet ontkend dat het Limburgs een eigen taal was. Anderzijds werd de term dialect gebruikt voor het Limburgs, waarmee de vereniging duidelijk aangaf dat het Limburgs politiek en maatschappelijk onder het Nederlands zou moeten functioneren.
Aanvankelijk ontstonden er alleen in Oost-Limburg Veldeke-kringen. Pas in 1975 werd in West-Limburg een organisatie opgericht die zich voor de eigen taal inzette, hoewel deze los stond van Veldeke. Dit was de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde. In 2001 kreeg Veldeke ook een kring in West-Limburg, die zich richtte op de dialecten van het Limburgs in West-Limburg.
De organisatievorm van Veldeke en de insteek die Veldeke koos, was vanaf het begin ingesloten in de naamgeving. Hoewel de naam Veldeke terugvoert naar de eerst bekende Limburgse schrijver, staat het in het Nederlands ook voor: Voor Elk Limburgs Dialect Een Krachtige Eenheid. Elke kring van Veldeke zou het dialect van het Limburgs van zijn plaats als uitgangspunt nemen. Het doel was dat er van elk dialect een eigen woordenboek zou komen en dat elke kring zich zou richten op het eigen dialect. Dit voedde een lokaalpatriottisme, waardoor er voor het Limburgs verschillende, elkaar beconcurrerende schrijfstandaarden werden ontwikkeld. Dit stond een standaardisering van geschreven Limburgs in de weg.

Veldeke kring Valkenburg organiseerde voor het eerst in 1972 - en sindsdien elk jaar - een Limburgstalige mis in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Valkenburg. Hierna werden ook in andere plaatsen missen opgedragen in het Limburgs. In de carnavalswereld werd het Limburgs de officiële taal en tegenwoordig is het heel gebruikelijk om Limburgstalige prinsenproclamaties, uitnodigingen, voordrachten en schlagers te horen. Het concours voor Limburgse carnavalsliedjes bestaat sinds 1977. Uit een groot aantal ingestuurde Limburgstalige liedjes wordt het beste liedje gekozen tot schlager van het carnavalsseizoen.
Sinds 1975 krijgt het Limburgs aandacht vanuit verschillende invalshoeken. Er verschijnen steeds meer studies, initiatieven, activiteiten, programma’s, projecten en publicaties die betrekking hebben op de Limburgse taal. Popmuziek en liedjes zijn steeds vaker in het Limburgs te horen: live op het podium, in het theater, op lp, audiocassette, cd, radio en televisie. Bijna elke stad of elk dorp stelt zijn eigen woordenboek samen en van sommige woordenboeken komen hernieuwde of herziene uitgaven uit. De uitreiking van een jaarlijkse Limburgse literatuurprijs door Veldeke stimuleert het schrijven in het Limburgs. Om de uitgave van Limburgstalige literatuur te stimuleren, heeft Veldeke in Maastricht de nieuwe uitgeverij TIC opgericht met sponsoring door de provincie Limburg. Met de Limburgse Literaire Lijst (LiLiLi) brengt zij hedendaagse Limburgstalige schrijvers op de markt. Met het opkomen van het Internet verschijnen er ook steeds meer Limburgstalige websites. Zo zijn er honderden websites over carnaval, muziek, taal, onderwijs, religie, theater, culinaire onderwerpen en nog veel meer, zoals een Limburgstalige Wikipedia.

In 1983 introduceerde Veldeke een algemene spelling. Al in de tweede helft van de 19e eeuw bestonden er grote overeenkomsten in de spelling van het Limburgs. Je hoeft slechts de stukken van de leden van de Momus in Maastricht en de Dramatiek in Roermond naast elkaar te leggen om dit te zien. Toch was en bleef de spelling een onderwerp waarop menige samenwerking in Limburg struikelde. Geen onderwerp bracht zoveel onenigheid teweeg. Hoewel Veldeke al in 1926 basisregels voor de spelling aannam, stamt de eerste officiële Veldeke-spelling uit 1952. Deze zou 31 jaar geldig blijven. Jan Notten werd in 1983 uitgenodigd om een nieuwe spelling op te stellen. Deze nieuwe spelling zou van kracht blijven tot 2003. In dat jaar zorgde een speciale commissie van Veldeke-leden uit heel Limburg voor een hernieuwde spelling, die grotendeels is gebaseerd op die van 1983 en officieel is goedgekeurd door de Raad van het Limburgs. De spelling is zo opgesteld dat ze toepasbaar is op ieder dialect van de Limburgse taal, wat het lokaalpatriottisme van ieder dialect van het Limburgs ondersteunt.

Hoewel veel leden van Veldeke achter dit lokaalpatriottisme stonden, waren er ook andere geluiden, ook vanuit Veldeke. De eerste oproep tot het ontwikkelen van een standaard voor geschreven Limburgs stamt al uit 1947. Omdat er al in de jaren 1980 een terugloop van het aantal Limburgssprekende mensen werd geconstateerd, wilde men dit met een verhoogd prestige voor de taal tegengegaan. In 1986 pleitte de toenmalige voorzitter van Veldeke, P. Houben, samen met de toenmalige redacteur van Veldeke, P. Bakkes, voor een geschreven eenheids-Limburgs dat prestigeverhogend zou werken. De nadruk lag op de geschreven taal, waarbij ervoor werd gepleit om verschillende Limburgse klanken onder één schrijfteken te verenigen, zodat er een schriftelijke eenheid ontstaat.
In 1989 herhaalde journalist Wim Kuipers, die hier samen met Paul Prikken aan werkte, deze oproep. Kennelijk was de tegenstand binnen Veldeke te groot voor het initiatief van een standaard voor geschreven Limburgs. Een buitenstaander, Paul Prikken, publiceerde in 1994 het eerste algemeen Limburgs woordenboek De taal van de Maas. Dit Nederlands-Limburgse woordenboek telt 30.000 Limburgse woorden in een door hemzelf gemaakte spelling die afwijkt van de in die tijd bestaande richtlijnen van de Veldeke-spelling. Samen met de journalist Wim Kuipers maakte Prikken plannen voor een standaard voor geschreven Limburgs. Zij zijn de oprichters van de werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs (AGL), die spellingregels en een woordenboek voor algemeen geschreven Limburgs probeert samen te stellen. Het AGL heeft als basis een kleiner dialect van het Limburgs in Oost-Limburg genomen. Sinds 2001 staat hiervan ook een versie online.

De Waalse deelregering zou bij decreet van 24 december 1990 als eerste het in West-Limburg gesproken Limburgs erkennen als regionale, inheemse taal. De roep om erkenning van het Limburgs was al decennialang te horen geweest, vooral in Oost-Limburg, maar zover was het nog nooit gekomen en zeker niet op politiek of juridisch gebied. Voor de Franstalige gemeenschap behoorde het Limburgs hiermee tot het taalkundige erfgoed dat bescherming verdiende. De communicatiewijze en de expressie van de taal moesten worden ondersteund. Om de Waalse minister te adviseren over te nemen maatregelen werd een Conseil des langues régionales endogènes (CLRE) opgericht. Bovendien beloofde de Waalse regering zich bij internationale organisaties hard te maken voor regionale talen. Voor het Limburgs is deze erkenning louter symbolisch, te meer omdat er in Wallonië geen Limburgs wordt gesproken. De delen in België waar wel Limburgs wordt gesproken (West-Limburg en West-Limburgs Voeren) vallen immers onder de Vlaamse regering.

Deze erkenning van de Walen kwam eerder dan de Oost-Limburgse aanvraag voor erkenning van het Limburgs als taal aan de Nederlandse regering. Op 1 maart 1996 werd het Advies inzake de erkenning van het Limburgs als streektaal opgesteld door de Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal. Deze werkgroep was op verzoek van het Oost-Limburgse parlement opgericht door Veldeke Limburg om te onderzoeken of het Limburgs net als het Nedersaksisch kon worden erkend onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Op 20 september 1996 gaf het Limburgse parlement officieel toestemming aan Gedeputeerde Staten om de aanvraag voor erkenning onder deel II van het Handvest voor te leggen aan de regering in Den Haag. In 1997 keurde de regering de aanvraag zonder verdere ophef goed en meldde deze aan bij de Raad van Europa.
Later ontstond er toch enige ophef over de goedkeuring. De Nederlandse Taalunie reageerde negatief maar gaf geen taalkundige argumenten en het leek erop dat haar grootste zorg de afbrokkeling van het Nederlandse taalgebied was. Verdere ophef ontstond omdat dezelfde aanvraag door West-Limburg bij de Belgische regering vanwege Vlaamse tegenstand werd afgewezen. Een mogelijke oorzaak hiervoor is dat erkenning in België grotere politieke consequenties zou hebben. Taal staat immers aan de basis van het politieke systeem in België en erkenning van het Limburgs zou het lichte Vlaamse overwicht in de Belgische staat in gevaar kunnen brengen.
Ondanks al die ophef kwam er in 1997 politieke en juridische erkenning voor het Limburgs als regionale taal. Voor het eerst sinds Limburg tot de Nederlandse staat behoorde, werd er officieel om erkenning van de Limburgse taal gevraagd. Sinds de emancipatie van hun katholiciteit was dit de eerste keer dat de Limburgers een ander aspect van hun identiteit binnen de Nederlandse staat naar voren brachten en hier erkenning voor opeisten.
De aanvraag voor erkenning werd zo licht mogelijk gehouden. De erkenning hield niet meer in dan politieke en juridische erkenning en de mogelijkheid om sommige verboden voor het gebruik van het Limburgs af te schaffen en een aantal stimuleringsmaatregelen met betrekking tot bewustwording van de taal te nemen. Wel werd aangegeven dat er later mogelijk een aanvraag volgt onder deel III van het Handvest - die een veel groter en concreter pakket maatregelen voor de taal voorschrijft. De aanvraag bevatte ook een hele lijst van beloftes aan de Nederlandse regering, misschien vanuit politiek oogpunt om de erkenning erdoor te krijgen, maar zeker ook in lijn met het beleid van Veldeke.
Ten eerste werden alle in Limburg gesproken dialecten voorgedragen voor erkenning. Naast de dialecten van het Limburgs waren dat ook die van het Kleverlands, die onder het Nederlands vallen, en die van het Ripuarisch, die onder het Hoogduits vallen. Verder was het niet de bedoeling om het Limburgs een hogere waarde te geven door het van dialect naar taal te promoveren. Ook werd de regering duidelijk gemaakt dat er geen standaard Limburgs zou worden gecreëerd. Het ging eerder om de erkenning van de “bonte verscheidenheid” van alle dialecten die in Limburg werden gesproken. Kort gezegd betekende dit dat het Limburgs onder het Nederlands zou blijven functioneren, dat het niet slechts één geschreven standaard mocht hebben en dat er een aantal stimuleringsmaatregelen voor het gebruik in informele situaties zouden worden genomen. Dit zou in de daaropvolgende jaren ook in het beleid zo worden uitgevoerd. Verder werd er in 2006 een pakket ontwikkeld om op scholen voorlichting te geven over het Limburgs, gericht op het dialect van het Limburgs in de betreffende plaats.

Niet iedereen was het eens met deze zienswijze en deze positie van het Limburgs. Paul Prikken en Wim Kuipers ondernamen actie door politieke ondersteuning te zoeken voor de geschreven standaard voor het Limburgs die ze met hun werkgroep AGL hadden ontwikkeld. De steun werd gevonden in de Partij Nieuw Limburg (PNL), die in 2000 bij het Oost-Limburgse parlement een initiatiefvoorstel indiende voor een pakket maatregelen, waaronder het vaststellen van een gestandaardiseerde schrijftaal. Het parlement vroeg hiervoor om advies bij de K.U. Nijmegen, de K.U. Leuven, Veldeke Limburg en de provincie West-Limburg. Het PNL-voorstel kreeg veel kritiek, vooral vanwege de slechte wetenschappelijke onderbouwing, en werd door iedereen afgewezen. West-Limburg vond het voorstel te radicaal. Ook de pers deed mee aan de discussie, waarbij opinies voor en tegen het voorstel werden geuit.
Omdat de grotere partijen in het Limburgse parlement het er niet mee eens waren, bleef het initiatief zonder resultaat. Er werden alleen een aantal kleinere maatregelen uit het voorstel aangenomen, zoals de aanstelling van een streektaalfunctionaris en de instelling van een Raod veur ’t Limburgs.
De Raod veur ’t Limburgs heeft de vorm van een commissie die het parlement van Oost-Limburg adviseert over maatregelen voor het Limburgs. In de raad zitten academici die actief zijn op het gebied van de Limburgse taal, leden van de vereniging Veldeke Limburg en personen die in hun maatschappelijke leven het Limburgs uitdragen. De streektaalfunctionaris is het publieke gezicht van de raad en voert het werk uit. Om de paar jaar is de Nederlandse staat verplicht om verslag te doen aan de Raad van Europa over de uitvoering van maatregelen voor het Limburgs die volgens het Handvest verplicht zijn. De Raod veur ’t Limburgs helpt bij het opstellen van dit verslag. Hierdoor is het Limburgs aan het begin van de 21ste eeuw ook onderwerp geworden van positieve taalpolitieke maatregelen.

Bronvermelding
Bakker, F., Kruijsen, J. (e.a.), Het Limburgs onder Napoleon; Achttien Limburgse en Rijnlandse dialectvertalingen van ‚De verloren zoon’ uit 1806-1807, Gopher Utrecht, 2007.
Belemans, R., Keulen, R., Taal in stad en land: Belgisch-Limburgs, Lannoo Tielt, 2004.
Evers, I. M. H., De Momus, Stichting Historische Reeks, no. 8, Maastricht, 1982.
Hansen, J., Het Recht van het Limburgs, De Vooruitgang Zuidbroek, 1947.
Hanson, M., Van Frans naar Nederlands, De taalsituatie in het Limburgs middelbaar onderwijs 1830 – 1914, Eisma Leeuwarden/Maastricht, 1990.
Israel, J. I., De Republiek 1477-1806, 5e druk, Van Wijnen Franeker, 2001.
Jappe Albers, W., Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers, Elsevier Amsterdam, 1981.
Jongeneel, J., Dorpsspraak van Heerle; Vormenleer en woordenboek met taal- en geschiedkundige inleiding en bijlagen, van Hooren, Heerlen, 1980 (1884).
Kessels- van der Heijde, M., Maastricht, Maestricht, Mestreech; De taalverhoudingen tussen Nederlands, Frans en Maastrichts in de negentiende eeuw, Verloren Hilversum, 2002.
Linssen, C. A. A., Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen, Van Gorcum Assen/Maastricht, 1985.
Jonghe, de, A., Taalpolitiek van Koning Willem I in de Zuidelijke Nederlanden (1814-1830); De genesis der taalbesluiten en hun toepassing, Brussel, 1943.
Knuvelder, G., Vanuit wingewesten,; een sociografie van het zuiden, Brand’s Hilversum, 1930.
Nissen, P. J. A., De ontplooiing van het regionaal zelfbewustzijn in de beide provincies Limburg na 1839, in: Eenheid en Scheiding van de beide Limburgen; verslagbundel van het op 26 mei 1989 te Alden Biesen gehouden congres bij gelegenheid van de herdenking 150 jaar beide Limburgen, Eisma Leeuwarden/Maastricht 1989, 181-212.
Robinson, O. W., Old English and its closest relatives; A survey of the earliest Germanic languages, Stanford University Press, 1992.
Schillings, H., Toneel en theater in Limburg, van Gorcum Assen, 1976.
Bakkes, P., Crompvoets, H., Notten, J., Walraven, F., Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten.
Tervooren, Helmut, Van der Masen tot op den Rijn; ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas, Historisches Verein für Geldern und Umgegend (105), 2005.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.
Ubachs, P. J. H., Evers, I. M. H., Ongewilde revolutie; het Limburgs Maasland onder Frankrijk 1794-1814, LGOG nr. 130 Mestreech, 1994.
Veldeke, jubileumnummer uitgegeven bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1951.
Vries, de, J. W., Willemyns, R., Bruger, P., Het verhaal van een taal; negen eeuwen Nederlands, Prometheus Amsterdam, 1993.
Weelen, P. (ed.), Ha! Tsjieng! Boem!, Limburgse Revues, Operettes en Musicals, TIC Mestreech, 2004.
Willemyns, R., Het verhaal van het Vlaams; De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 2003.

Limburgs Dagblad 25-1-1986, Redding dialect: overkoepelende eenheidstaal.

http://www.cfwb.be/langreg/present/pg001.htm (16-5-2007).
http://www.limburghuis.nl/ (10-6-2008).
http://www.ned.univie.ac.at/publicaties/taalgeschiedenis/en/anltexte.htm (28-5-2008).
http://www.uitgeverijtic.nl/ (13-6-2008).
http://www.veldeke.be/ (10-6-2008).
http://www.veldeke.net/ (10-6-2008).
http://www.veldeke-valkeberg.nl/ (28-9-2007).
http://www.ru.nl/dialect/wld/ (13-6-2008).