De nieuwe tijd aan het einde van de 17e en begin van de 18e eeuw was rampzalig voor het literaire erfgoed van de voorafgaande Oud- en Middellimburgse periode. Omdat de taal en het handschrift vaak te verouderd waren en mensen de boeken niet meer konden lezen, werden veel boeken uit de Middellimburgse en misschien ook Oudlimburgse tijd door de eeuwen heen weggegooid als oud vuil. Ze werden gezien als overblijfselen uit een barbaarse tijd en verscheurd of opgevouwen als map voor rekeningen of opvulling van boekbanden.
Toen de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia in 1781 stierf kwam haar zoon Jozef II aan de macht. Hij voerde in rap tempo hervormingen door. Zo liet hij de meeste kloosters in de door Oostenrijk bezette delen van Oost-Limburg sluiten. Het gevolg was dat er veel boeken verdwenen uit de kloosterbibliotheken, die eeuwenlang het Limburgse literaire erfgoed hadden bewaard.
De grootste catastrofe was echter de sluiting van de kloosters in Limburg door de Franse revolutionaire regering. Alle boeken uit kloosters, kapittels en abdijen die tot dan toe aan vernietiging waren ontkomen, werden in beslag genomen. Sommige kloosters lukte het wel om een aantal boeken in veiligheid te brengen door ze aan particulieren mee te geven, maar de boeken die de Fransen in handen kregen werden geselecteerd. Een deel werd goedgekeurd en vond zijn weg naar de bibliotheek van de École Centrale in Maastricht. Vooral theologische en Limburgstalige boeken (die dikwijls ook een religieuze inhoud hadden) werden echter afgekeurd en openbaar verkocht. In het hele departement van de Nedermaas werden boeken geveild. De belangrijkste openbare verkoop vond plaats van 23 tot 31 oktober en op 2 november 1801 in Maastricht. In tien dagen tijd werden er dertigduizend boeken voor oud papier verkocht voor de schamele prijs van 1923 Franse frank. Wat er precies tussen zat, laat zich alleen maar raden. Er werd geen catalogus gemaakt en de bibliotheekinventarissen van de kloosters waren vaak erbarmelijk slecht. Gezien het aantal Middellimburgse boeken dat de vernietiging is ontlopen, moet een veel groter aantal Limburgstalige werken wel zijn vernietigd. Een klein deel van de boeken kwam in handen van verzamelaars, maar werd na verloop van tijd over heel Europa verspreid. Tot heden bemoeilijkt dit het onderzoek naar de Limburgse literatuurgeschiedenis.
Het is dan ook ironisch dat precies rond de periode dat een groot deel van de geschiedenis van de Limburgse literaire cultuur voor altijd in de vergetelheid werd geduwd, het Limburgs zich toch literair weer begon te roeren. Waardoor de Limburgstalige literatuur in de 18e eeuw ineens weer opbloeide, is niet helemaal duidelijk. De vraag is natuurlijk of de Limburgstalige literatuur ooit helemaal weg is geweest, maar door de boekvernietigingen aan het einde van de 18e eeuw is dit niet met zekerheid te zeggen. Tot nu toe zijn er geen teksten uit het begin van de 17e tot midden 18e eeuw gevonden. In ieder geval lijkt het erop dat men rond de tijd van de Limburgse boekvernietiging ineens, zonder duidelijke aanleiding, weer in het Limburgs begon te schrijven.
Een mogelijke verklaring volgens Lou Spronck is gelegen in de omgeving van Limburg, waarmee het eeuwenlang een cultuurgebied vormde. In Luik werd tot aan de 16e eeuw in het Waals geschreven. Toen Luik zijn onafhankelijkheid had verloren en het Frans snel werd ingevoerd, ontstond er een tegenreactie en kwam het Luikerwaals in opmars in de literatuur. In Limburg, met name in Maastricht, werd de verfransing gezien als een bedreiging van de individualiteit. Als reactie op de vergaande afbraak van de Limburgse eigenheid door een vreemde taal en cultuur, richtten de Maastrichtenaren zich weer op die eigenheid.
Het Sermoen euver de wäörd Inter omnes Linguas nulla Mosa Trajestensi prastantior gehauwe in Mestreech 1729 behoort tot de eerste teksten van de Nieuwlimburgse tijd. De tekst, die in 1937 is teruggevonden, is van een onbekende auteur die zich richtte tegen de vreemde invloeden in de eigen taal. Soms worden Latijn en Engels aangevallen, vaker het Nederlands, maar het Frans nog het meest. Met zo’n tekst is het natuurlijk verleidelijk om te denken dat de Limburgers zich weer op de eigen cultuur richtten vanwege de afbraak van de eigenheid. Sommige beschrijvingen in de tekst, duiden erop dat het jaartal 1729 onjuist is en dat de tekst eerder rond 1775 moet zijn geschreven. De tekst is waarschijnlijk gebaseerd op een Akense tekst uit de tweede helft van de 18e eeuw.
Verder zijn er nog verschillende gelegenheidsgedichten overgeleverd uit het einde van de achttiende eeuw, waarvan men vaak niet of niet zeker weet wie de auteur is.
Twee gedichten zijn geschreven als eerbetoon voor het winnen van de primusprijs van de Leuvense universiteit in 1784 door Lambertus (Lemke) Gilissen (Primus Gilissen) en in 1790 door Dominicus (Muneke) Bexs (Primus Bexs). Van het primusgedicht van Bexs wordt aangenomen dat het door pastoor Delruelle is geschreven, ook omdat een verkorte versie ervan - het Leetsche euver de Primus Theodorus Domunicus Becks uit 1790 - vrijwel zeker van de hand van Delruelle is. Van een ander primusgedicht, het Primus Gijsbertus Joannes Alexander van der Vrencken uit 1787, weten we dat het is geschreven, maar de tekst is verloren gegaan.
Uit het laatste kwart van de 18e eeuw stamt ook de Vesperesatie Pertouns, een lofdicht op het vijftigjarige kloosterjubileum van broeder Augustijn, ofwel Antoon Partouns, die in 1709 in Maastricht werd geboren. Het gedicht met twaalf strofen van vier verzen is onvoltooid.
Een gedicht dat bestaat uit tien strofen van zes regels, getiteld Op den professie dag van Nellis en Antoon (bij de Begaorde), is waarschijnlijk ook afkomstig uit het einde van de 18e eeuw. Het is niet met zekerheid bekend wie Nellis en Antoon zijn, maar waarschijnlijk zijn het broeders van het bejaardenklooster in Maastricht. Aangenomen wordt dat P. G. Schols of J. H. Schols de auteur is, maar ook daarover bestaat geen zekerheid.
De eerste auteur uit de Nieuwlimburgse tijd van wie de naam bekend is, is pastoor Delruelle, in de volksmond Delderwel genoemd. Ludovic Pascal Delruelle (Maastricht, 1735 – Maastricht, 30-04-1807) was een priester van Waalse afkomst die vanaf 1783 als pastoor dienst deed bij de St.-Martinusparochie in Wyck. Tussen 1798 en 1802 werd hij door de Franse autoriteiten gedwongen zijn pastoraat neer te leggen en in ballingschap te gaan vanwege zijn anti-Jacobijnse houding. Op 30 april 1807 overleed hij in Wyck.
Zijn Verwietgediechte behoren tot een genre dat ons vertelt over het Maastrichtse volksleven aan het einde van de 18e eeuw. Vanuit zijn raam in de pastorie hoorde hij gesprekken of scheldpartijen tussen personen in het straatje onder hem. Het ruwe taalgebruik tekende hij op in gedichten getiteld Verwiet tösse Naoberse en Maog, Verwiet tösse Jaan en Mei, Verwiet tösse Naober en Vrouw, drie keer een gedicht Verwiet tösse maan en vrouw en Verwiet tösse Greet en Mei.
Gedichten met een relaas van vrouwen over huwelijkse belevenissen zijn te vinden in twee dialogen die hij heeft geschreven, getiteld Samespraok tösse Trees en Trui en Samespraok tösse Kaat en Mei. In Lied van den Eerwaarden Heer L. P. Delruelle pastoor dicht Delruelle over de eeuwige huwelijksstrijd die man en vrouw onder elkaar hebben.
Een liedje dat bestaat uit dertien strofen van acht regels, getiteld Jennemij en Trijn, is geschreven voor de gelegenheid van het vijftigjarige kloosterfeest van Helena Jorissen uit Wahlwiller en komt kennelijk ook van de hand van Delruelle. Een ander huldigingsgedicht met achttien strofen van acht regels lijkt op Jennemij en Trijn en werd geschreven voor het vijftigjarige kloosterfeest van Francisca Neven, priorin van het Beyart klooster. Omdat het zoveel gelijkenissen vertoont met Jennemij en Trijn en op dezelfde wijze werd gezongen, gaat men ervan uit dat ook dit gedicht door Delruelle is geschreven. Voor het vijftigjarige jubileum van Anna Houben als werkzuster in de Beyart werd een gedicht geschreven dat bestaat uit 24 strofen van acht regels. De eerste elf strofen van het gedicht Broelof vaan zuster An zijn gelijk aan het huldigingsgedicht voor Anna Houben, alleen zijn er nog 19 strofen aan toegevoegd. De Broelof van Marij Nasse 20 7ber 1790 bestaat uit 26 strofen van acht regels. Verder zijn er nog twee gedichten met de titel Afscheid, één met twaalf strofen van zes regels en één met 23 strofen van zes regels, waarin afscheid wordt genomen van zusters van respectievelijk de Nieuwenhof en de Beyart. Het laatst bekende, grotere gedicht bestaat uit 26 strofen van acht regels en is gedeeltelijk overgenomen uit andere gedichten, gemaakt ter gelegenheid van de intrede in het gasthuis van Jennemij, dochter van Pi Keunings tösse de brögke.
Van het Kleppermansleed, dat aanvankelijk werd toegeschreven aan Delruelle, staat vrijwel vast dat hij niet kan hebben geschreven omdat het afkomstig is uit het midden van de 19e eeuw.
Van de Limburgse werken die direct van Delruelle’s hand zijn, is er geen enkele behouden gebleven en het is niet bekend wat voor en hoeveel gedichten hij heeft geschreven. Later zijn er door anderen verschillende gedichten onder zijn naam gepubliceerd. Van geen van de gedichten kan dus met zekerheid worden gezegd dat ze door Delruelle zijn geschreven. De originele manuscripten ontbreken en er zijn geen getuigen uit die tijd die schrijven dat Delruelle iets in het Limburgs heeft geschreven. Toch wordt aangenomen, zoals de mondelinge overlevering ook te kennen geeft, dat de gedichten van Delruelle moeten zijn geweest.
In 1806 werd op initiatief van het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken en onder leiding van Coquebert de Montbret (directeur van het Bureau de Statistique) aan de prefecten van de verschillende randdepartementen van Frankrijk een verzoek gestuurd om de tekst van De Verloren Zoon uit hoofdstuk 15 van het evangelie van Lucas te vertalen naar de volkstaal. De departementen van de Nedermaas en de Roer, waarin Limburg lag, kregen dit verzoek ook toegestuurd. Het doel was niet zozeer om inzicht te krijgen in de taal die er werd gesproken, maar meer om na te gaan waar het Frans de belangrijkste voertaal was. Er werden verschillende vertalingen in Oost-Limburgse dialecten van het Limburgs, evenals het Rijnlands, teruggestuurd naar Parijs. Deze teksten behoren tot de vroegste Limburgstalige teksten uit de Nieuwlimburgse tijd.
Na de eerste zwaluwen van de Limburgse literatuur in de Nieuwlimburgse tijd komt er een waar meesterwerk uit de veer van Theodoor Weustenraad (Maastricht, 15-11-1805 - Jambes, 25-06-1849). Van zijn geestige en satirische gedicht - getiteld De Percessie vaan Sjerpenheuvel of De Beiweeg nao Sjerpenheuvel – dat hij tussen 1830 en 1840 heeft geschreven, werden aanvankelijk slechts twee strofen (’t Geld en ’t Vreugjaor) gepubliceerd in de Momusklanken van 1883. Zijn epische gedicht zou door zijn beschrijving van de schijnheiligheid van de katholieke kerk en van veel gegoede families in Maastricht en door zijn openhartige beschrijvingen van seks zo controversieel zijn, dat het bijna een eeuw lang alleen als handschrift clandestien circuleerde in een klein groepje. Pas in 1931 werd de hele tekst anoniem uitgegeven door een groepje jonge intellectuelen en kunstenaars, onder wie Charles Nypels. Charles Eyck maakte de prentjes. In 1964 gaf Harie Derks het nogmaals uit om de burgerlijke mentaliteit in Limburg te provoceren. In 1994 verzorgde Lou Spronck een nieuwe, meer wetenschappelijke uitgave met illustraties van Toussaint Essers.
De Percessie verhaalt over gelovigen uit Maastricht die een pelgrimstocht maken om penetentie te doen en in Scherpenheuvel aankomen. Weustenraad (de ik-persoon) is erbij en zoekt ook een herberg. In een gelagkamer treft hij een meisje dat hem aanstaat. Ze eten wat en kruipen daarna meteen in bed voor een flinke vrijpartij. De volgende morgen gaat Weustenraad naar de basiliek om de mis bij te wonen en de wonderen te zien. Tijdens de mis gaat alles verkeerd. De kreupele, die zogenaamd genezen moet worden, heeft het geld dat hij van de priesters heeft gekregen om zielig de kerk in te komen hinken, verzopen en waggelt ladderzat, maar in het geheel niet kreupel, de basiliek in. Na de mis wordt Weustenraad uitgenodigd om bij de pastoor te komen eten. Hierbij komt hij in het gezelschap van veel malafide geestelijken. Als de keukenmaagd de toog van een priester moet schoonvegen, krijgt die een enorme erectie en ontkomt zij ternauwernood aan een verkrachting. Op de terugweg slaapt Weustenraad nogmaals met de keukenmaagd en iedereen komt tevreden terug in Maastricht.
Ogenschijnlijk een simpel verhaaltje maar het meesterschap van Weustenraad toont zich niet alleen in de natuurlijke manier van zijn rijmkunst en de grote humor die hij in zijn verhaal legt. Met zijn liberale geest gebruikt hij het verhaal als aanleiding om over meer levensbeschouwelijke vragen te filosoferen. Zo personifieert hij de waarheid als hoer, belicht hij de diefstal van de kerk en vraagt hij zich af of God in duistere kerken te vinden is of in de natuur rondom ons.
Weustenraads gedicht heeft weinig aan aantrekkingskracht verloren en straalt nog steeds een sfeer uit die voor de moderne mens gemakkelijk is te begrijpen. De seksualiteit choqueert niet meer om de seksualiteit zelf. Daarvoor is men tegenwoordig teveel gewend. Wat wel stoort is dat hij alleen vanuit zijn seksualiteit naar vrouwen kijkt, die er slechts lijken te zijn om de behoeftes van mannen te bevredigen. Het toont echter aan dat Weustenraad in elke tijd de geest van de lezer kan bevredigen en aanstoot kan laten nemen.
Momusklanken is een dichtbundel die in 1883 in Maastricht is uitgegeven door de leden van de sociëteit Momus. Aanleiding was het vier keer elfjarige jubileum en de noodzaak om fondsen bij elkaar te krijgen voor de nieuwe tempel op het Vrijthof in Maastricht.
Verschillende Momusleden droegen gedichten bij voor de bundel. Alles bij elkaar werden er twee oude Momus (drink)liedjes en veertien andere gedichten in het Limburgs van Maastricht afgedrukt. Daarnaast werden er acht stukken in het Nederlands en twaalf in het Frans aangeleverd. De Limburgstalige gedichten werden geschreven door G. D. L. Franquinet, L. Polis en Th. Weustenraad.
De twee oude Momus drinkliedjes zijn getiteld Momusvräög, uit 1841 en geschreven door F.S., en De Momusmöts, ook uit 1841 en geschreven door G.A.S. Van de andere Momusgedichten zijn Momus 4 x XI-jäöreg zjubilei uit de Momusalmanak voor 1883, Laot klinke de glazer van G.D Franquinet en Op ’t Mestreechter beer van L. Polis een beetje in dezelfde trant. Het zijn typische drinkliedjes met een komische inslag, die vaak iets over de Momus en zijn karakter uitdrukken of een ode zijn aan het plezier van feesten en samenzijn en de dingen die daarbij horen. Hoewel het geen drinklied is, is ook de Adieu aon d’n awwe Momustempel van L. Polis gericht op een stukje geschiedenis van de Momus, waar het denkbeeld van de Momus is ontstaan.
Mestreechter Klanke van G.D. Franquinet is een lofzang op de zoetheid van de moedertaal, hoe ze direct uit het hart spreekt, hoe rijk en levendig ze wel is. Zijn gedicht V’r zien us weer betreft het verdriet van afscheid nemen en de zoete hoop van het weerzien. De Lindeboum vaan Kan is een gedicht dat teruggaat naar de tijd van de schepenbank en het rechtspreken onder de boom, zoals een uiteindelijk ingrijpen in de rechtszaak door een Godsoordeel. In Oppen Heugemer Weeg komt Franquinet een vrouw tegen die de ellende van haar leven beschrijft. Hij kan haar niet troosten, maar slechts buigen voor deze martelaarster. In In de hei bezoekt Franquinet nog eens de ellende van de lagere klasse in de winter, die men in de zomer nooit ziet.
L. Polis gaat nog iets verder in zijn gedicht Chariteit. Hierin doet hij een oproep aan de rijken voor liefdadigheid door hen de ellende van de armen in de winter te beschrijven en het contrast te laten zien met hun eigen comfortabele omstandigheden. De braven ambachsmaan van L. Polis is een beschrijving van de deugd van hard werk en vakmanschap. In Allemansvrund wordt door Polis een levenshouding bezongen die conflicten vermijdt.
Als uitzonderlijke bijdrage geldt ook die van Th. Weustenraad van wie, zoals eerder gezegd, voor het eerst een stuk uit zijn Percessie vaan Sjerpenheuvel werd gepubliceerd. In een stuk getiteld ’t Geld verschijnen 19 strofen als een afzonderlijk gedicht waarin hij het genot en de gevaren van geldbezit beschrijft. In ’t Vreugjaor worden zes andere strofen uit De Percessie vaan Sjerpenheuvel uitgebracht, waarin het opnieuw ontluiken van de natuur wordt bezongen. Dit waren natuurlijk de minst controversiële stukken van Weustenraads werk, die in de tijdsgeest geen aanstoot zouden geven.
Eeuwenlang was men van mening dat volkstalen alleen goed waren om kluchten in op te voeren, waarin met name de gewone man, de boer en de knecht personages waren waar om gelachen kon worden. Dat deze volkspersonages en de volkstaal ook konden worden gebruikt om de hardheid van de realiteit te beschrijven, werd lang ontkend.
De sociëteiten de Momus in Maastricht en de Dramatiek in Roermond begonnen in de tweede helft van de 19e eeuw het Limburgs te gebruiken voor meer dan alleen volkse zangspelen, muzikale parodieën en komische opera’s. In Maastricht bewerkte M. Krans in 1843 het Middeleeuwse stuk l’avocat Pathelin als Avvecaot Plökvink; in 1844 De ambitieuze burger van de Deen Ludvig Holberg als De rangzöchtege börger; en in 1862 Le Bourgeois Gentilhomme van Molière als D’n ierzöchtege börger. Ook waren er opvoeringen van andere bewerkingen van toneelstukken van Eugène Scribe, Eugène Labiche en August von Kotzebue.
Naast deze vertalingen naar het Limburgs werden er ook een tiental oorspronkelijke werken geschreven, zowel in Maastricht als in Roermond. Van de hand van G. D. L. Franquinet verscheen in 1856 Klaos Pompernikkel of d'n dokter tege wèl en dank, een toneelstuk in drie bedrijven. Bloodzukers en ’t Kindermäögske volgden in 1857. Laurent Polis schreef een twintigtal werken, waaronder Jeang, een tragedie in één bedrijf, geheel in verzen, die voor het eerst op 28 november 1875 werd voorgedragen in het Momustheater. In 1877 verscheen van Polis Venus, de bis 'n krök!, een pastorale in één bedrijf en De twie Brems of woe twie leefstes z’ch veur ei meitske kloppe.......?!’, een komische opera uit 1888. C. Breuls schreef een operette genaamd Rooske Kleve en Fr. Lousberg kwam met de komische opera De Mestreechter straotjong. In Roermond schreef Emile Seipgens in 1846 De Schinderhannes, gevolgd door Eine Franse kreegsgevangene in 1871 en De leste Schlaag in 1872.
De eerste opvoering van De leste Schlaag door de Dramatiek in Roermond vond plaats op 21 januari 1872. Het is een politiek kritisch, kluchtig toneelstuk in drie bedrijven, dat werd opgevoerd in het Limburgs met deels Nederlandse en Franse dialogen, waarmee de taalsituatie in het Limburg van deze periode werd belicht. Kennelijk was het toen bekend dat het met de verkiezingen in Limburg niet helemaal zuivere koek was, maar waarschijnlijk waren er maar weinig mensen zich ervan bewust in hoeverre de Limburgse verkiezingen door Den Haag werden beïnvloed. Seipgens beschrijft hoe een gepensioneerde handelaar zonder politieke achtergrond via beïnvloeding van zijn vrouw door twee politici wordt overgehaald om zich kandidaat te stellen. Uiteindelijk blijkt dat dit alleen maar werd gedaan om een andere kandidaat, die zeer bekwaam maar ongewenst was, buiten de politiek te houden.
Limburgstalige toneelstukken werden echter niet alleen in Maastricht en Roermond geschreven en opgevoerd. M. J. H. Kessels schreef in Heerlen toneelstukken zoals Doctoors-kandidaat en Wie der Tinus seldaot wilt weëde en twee operettes, De Bokkenrijders en De meikoningin van Geleen.
In het begin van de 20e eeuw, in de nasleep van de traditie van een lange 19e eeuw, werden er ook komische opera’s geschreven door één van de beroemdste Limburgstalige volksschrijvers: Fons Olterdissen (Maastricht, 12-12-1865 – Maastricht, 24-02-1923). De twee bekendste hiervan zijn De Kaptein van Köpenick uit 1907 en Trijn de Begijn uit 1910. Deze geliefde klassiekers zijn in de 20e en begin 21e eeuw nog heel vaak opgevoerd.
Olterdissen was getalenteerd op veel gebieden. In de jaren 1880 had hij een opleiding gevolgd aan de Rijksschool voor de Kunstnijverheid in Amsterdam, samen met zijn beste vriend Henri Goovaerts, die later een bekend portretschilder zou worden. Kort na zijn terugkeer in Maastricht opende Olterdissen, samen met Goovaerts, een particulier schilderschooltje met als doel de kunst in het verarmde Maastricht te laten opbloeien. In 1899 was hij de belangrijkste oprichter van Maastricht Attractions – de latere VVV - en organiseerde veel evenementen in Maastricht. Verder was Olterdissen organisator, ontwerper en regisseur van een historische stoet in 1905 en van verschillende optochten door de stad. Ten slotte was hij ook een zeer verdienstelijk zanger.
Olterdissen schreef zijn komische opera’s om de schulden van veel van deze optochten te kunnen afbetalen. Dat zou ook meteen de aanzet zijn voor zijn Limburgstalige werk. Zijn opstellen genaamd Vaan stad en lui veur 50 jaor werden oorspronkelijk in de Limburger Koerier afgedrukt, voordat ze gebundeld werden uitgegeven. Met deze volksverhalen gaf Olterdissen een petite histoire van het Maastricht tussen 1860 en 1870. Hij beschreef het alledaagse leven van die tijd tijdens communiefeesten, bruiloften, begrafenissen, kermissen, marktdagen, parades en executies. Het zijn bijna gemythologiseerde portretten die in beeldtaal, kleurige uitdrukkingen en komische verhaalgang de essentie van het volkse leven uitbeelden.
In de lange 19e eeuw van de Nieuwlimburgse literatuurgeschiedenis herpakt de schrijftraditie in de Limburgse taal zich weer, na het verschijnen van de eerste teksten tussen 1750 en 1830. Wat de aanzet hiervoor is geweest is niet bekend, maar verondersteld wordt dat de druk van de vergaande afbraak van de eigenheid van het Limburgs al in de 18e eeuw werd gevoeld, wat in ieder geval in Oost-Limburg in 1839 werd versterkt door de traumatische, gedwongen aansluiting bij Nederland. Het is dan ook vooral in Oost-Limburg - in steden als Maastricht, Roermond en Heerlen - dat de burgerij zich verenigt in culturele en literaire genootschappen die zich weer richten op de Limburgse taal. In West-Limburg is het dan nog oorverdovend stil, waarschijnlijk omdat het in het gewoel van de opkomende Vlaamse Beweging onmogelijk is om zich te richten op de Limburgse eigenheid.
De enige uitzondering op de stilte vanuit West-Limburg is de droevige stem van Jules Frère (Tongeren, 19-06-1881 – Tongeren, 06-08-1937) met zijn Druvig Bukske. Hij kwam uit een voornaam Tongers bankiersgeslacht en verloor al op negenjarige leeftijd zijn vader. Aan het einde van de 19e eeuw was hij acteur bij het toneelgezelschap De Vlaamsche Kring en ijverde hij voor een beschaafde uitspraak van het Vlaams. Vanaf 1903 studeerde hij rechten in Luik. In zijn studententijd was hij ook socialist en flamingant, wat hem in het kleine Tongeren van die tijd als non-conformist deed gelden. Hij pleitte in de eerste Nederlandstalige rechtszaak in Tongeren. Vanaf 1919 tot zijn dood was hij kinderrechter in Tongeren. In zijn studententijd publiceerde hij zijn eerste Nederlandstalige gedichten. Tijdens de Duitse bezetting van België in de Eerste Wereldoorlog werd hij naar Duitsland gedeporteerd. Na zijn terugkeer schreef hij zijn eerste en enige Limburgstalige gedichtenbundel over zijn aangrijpende ervaringen in de oorlogsjaren 1915 – 1917: Druvig Bukske. Waarschijnlijk gebruikte hij het Limburgs van Tongeren omdat dit beter en natuurlijker klonk in de gedichten. In de keuze voor het Limburgs van zijn geboortestad, waarin hij zijn klachten, sarcasme en desillusies verklankte, zat misschien nog wel enig non-conformisme, versterkt door zijn pijnlijke oorlogservaringen.
In zijn Druvig Bukske voert Frère ons door de oud-Romeinse stad Tongeren met haar gotische kerk, voorname rechtbank en levendige kermis. Hij stelt ons voor aan een paar van haar inwoners: de bedelaars, de kinderen, de paters en begijnen, zijn vrienden, zijn geliefde… Hij spreekt over de dood op het graf, over Onze Lieve Heer aan het kruis en Sinterklaas die zijn ronde doet, en dit in een taal en dichtvorm die bewondering en ontroering afdwingen.
De oogst van Limburgstalige literaire producten uit deze lange 19e eeuw is zeker niet mager. Hoewel het genre voornamelijk bestaat uit dichtvorm, toneelstukken en korte prozaverhalen, werden er met name binnen de Momus en de Dramatiek constant nieuwe stukken geproduceerd voor het amusement van de burgerij. Deze stukken blijven zeker niet allemaal in de amusementswaarde steken. Uit de vertalingen van bepaalde buitenlandse stukken en de eigen stukken met meer diepgang blijkt dat men in het Limburgs over meer schreef dan alleen de kluchtigheid van het leven.
Na de Eerste Wereldoorlog volgt er een periode in de Limburgse literatuurgeschiedenis die eindigt in 1945. In het begin verschenen er eigenlijk alleen verhalen en gedichten in diverse tijdschriften. De meeste Limburgstalige auteurs publiceerden hun gedichten, verhalen en artikelen in het tweemaandelijkse tijdschrift van de vereniging Veldeke, die in 1926 in Oost-Limburg was opgericht. Het schrijven van boeken was een uitzondering. De Limburgse identiteit, het chauvinisme en de religie zijn veel voorkomende thema’s in deze korte verhalen. De auteurs zijn veelal geestelijken, wat er waarschijnlijk aan bijdroeg dat deze teksten vrij braaf en moralistisch zijn.
De politieke problemen in Limburg na de Eerste Wereldoorlog - toen België weer delen van Limburg wilde annexeren - en de onvrede richting de Belgen of de Nederlanders vonden weinig neerslag in de literatuur. In 1925 werd er een roman in het Nederlands gepubliceerd met een duidelijk Limburgs onderwerp. Onder het pseudoniem Arnaud de Trega werden de Maastrichtse jaren tussen 1632 en 1638 op zeer anti-Nederlandse manier behandeld in Ramp en Misdaad. Paul Chambille de Beaumont publiceerde verzen in het Limburgs met scherp anti-Nederlandse sentimenten en Edmond Jaspar, de latere voorzitter van het toen nog op te richten Veldeke, verspreidde een politiek geschrift. Hierin ontkende hij dat België ooit recht op Limburg had gehad en riep hij de Maastrichtenaren op om zich af te zetten tegen de Belgische annexatieplannen. Maar hier bleef het dan ook grotendeels wel bij. De Limburgstalige literatuur uit deze periode hield zich meer met andere onderwerpen bezig die gedeeltelijk in het verleden lagen. Geschreven politieke uitingen in het Limburgs werden immers niet toegestaan door de sociëteit Momus in de 19e en begin 20e eeuw, en vanaf 1926 door Veldeke.
Eén van de belangrijkste schrijvers van deze periode is E. Franquinet. Onder de titel Maskeraad bracht hij een boek met dadaïstisch geïnspireerde verhalen uit. Vijf korte verhalen zijn in het boek opgenomen, genaamd Maskeraad, Louis Savré, Dadaïs, De Moord in de Hèlstraot, Beer en De Bedeleer.
Dada was een informele, internationale beweging met aanhangers in Europa en de Verenigde Staten. Het begin van Dada viel samen met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Voor veel aanhangers was deze beweging een protest tegen de burgerlijk nationalistische en koloniale belangen, wat volgens veel dadaïsten de belangrijkste oorzaken waren van de oorlog. Ze protesteerden ook tegen de culturele en intellectuele conformiteit - in de kunst en meer in het algemeen in de samenleving - die samenhingen met de oorlog. Veel dadaïsten geloofden dat de oorlog het gevolg was van de “rede” en “logica” van de burgerlijk kapitalistische maatschappij. Ze drukten hun verwerping van deze ideologie uit door de logica te verwerpen en de chaos en irrationaliteit te omarmen. Het dadaïsme was een protest tegen een wereld waarin men elkaar onderling kapotmaakte.
In het titelverhaal Maskeraad wordt dan ook geen logische verhaallijn gevolgd naar goed dadaïstisch gebruik. Een vriend weidt uit over een namiddag in zijn leven en waarom hij de heuvels introk. Hij vertelt uitgebreid over het landschap en alle geuren en kleuren, totdat hij uiteindelijk vertelt over het ongeluk van de vrouw waarover het gesprek in eerste instantie ging. Het ene heeft op geen enkele manier met het andere te maken en doet er niet toe, maar wordt toch breed uitgemeten.
Ook voor de theaterwereld was het begin van de 20e eeuw in Limburg niet meer dan het staartje van de lange 19e eeuw, die tot aan de Eerste Wereldoorlog duurde. Met uitzondering van de twee komische opera’s van Olterdissen, werd er in het begin van de twintigste eeuw voor het theater weinig in het Limburgs geschreven. De Momus en de Société Dramatique hielden op te bestaan. Na de Eerste Wereldoorlog werd Limburg overspoeld met het Nederlands theater.
De verdere ontwikkeling van het Limburgstalige toneel kwam uit de uiterst zuidoostelijke hoek van Oost-Limburg en was van de hand van Frans Schleiden. Frans Schleiden (Setterich-Siersdorf (D), 07-03-1896 – Kerkrade, 12-07-1955) was als kapelaan werkzaam in Vijlen en andere Limburgse plaatsen. Van 1929 tot 1955 was hij bestuurslid van Veldeke en van 1931 tot 1938 hoofdredacteur van het Veldeke tijdschrift.
Zijn eerste toneelstuk, D'r brand va Bellent, e drama i 3 bedrieve i Ville geschit, werd opgevoerd ter ere van het vijfjarig bestaan van Veldeke in 1931. Het was een stuk in drie bedrijven en tussendoor kon men luisteren naar muziek van het Heerlense strijkorkest. Dit volkse stuk is gebaseerd op dramatische gebeurtenissen die tweehonderd jaar daarvoor hadden plaatsgevonden, namelijk de brandstichting op de boerderij van Bellent, waarvoor een onschuldige bijna zijn leven moest laten. Dit stuk werd midden jaren zeventig nog opgevoerd in Vijlen.
Bij het Zuid-Limburgs Toneel (ZLT) ging op 5 augustus 1934 De Koel i Lutterendal in première, een stuk uit 1930. Het hoofdpersonage is een 85-jarige pastoor die geconfronteerd wordt met het openen van een kuil in zijn parochie. Centraal staat zijn brief aan de bisschop, waarin hij verhaal doet van het onheil dat dit met zich meebrengt en meteen om zijn ontslag vraagt. Hoewel bewondering voor volk, landschap en cultuur en de angst dat dit verloren gaat duidelijk een rol spelen in dit stuk, is er ook sprake van humor en wordt op milde wijze de spot gedreven met mensenlevens en tragiek.
Jef Schillings, de hoofdrolspeler in D’r brand va Bellent, werd zelf zo geraakt door de mogelijkheden en uitdrukkingskracht van de eigen taal en hoe dit overkwam bij het publiek, dat hij besloot om toneelstukken te spelen die aansloten bij de Limburgse volksaard. Omdat die niet direct voorhanden waren, zocht hij contact met de Vlaamse schrijver Jac. Ballings om hem te vragen of één van zijn Nederlandstalige toneelstukken naar het Limburgs mocht worden vertaald. Amor in de Pastorie of Bij Heernonkel wordt zo vertaald als Bie Hieërnonk, een stuk waarin een blijmoedige pastoor alles wat verkeerd dreigt te gaan in goede banen weet te leiden. Op 11 augustus 1935 ging Bie Hieërnonk in première. Het werd gespeeld door het Zuid-Limburgs Toneel en meer dan zeventig keer opgevoerd. In 1936 kreeg dit succes een vervolg met de opvoering in Echt van De Vrome Leugen van Ballings, vertaald naar het Limburgs onder de titel ’t Pleegkeend, speul van plezeer en leid. Het Limburgs Dagblad schreef dat men zo was gewend aan toneel in het Nederlands dat Limburgers bijna waren vergeten dat het ook in het Limburgs goed te spelen was. De eigen taal gaf het toneelspel meteen een nieuwe kleur: het klonk edel en voornaam en de woorden hadden een zachte cadans met harmonieuze tonen. Het Zuid-Limburgs Toneel speelde regelmatig Limburgstalige stukken, waaronder oorspronkelijke stukken van de Valkenburgse auteur Pierre Visschers, maar ook vertalingen uit andere talen.
Het toneelgezelschap A.K.D.IJ. uit Spaubeek gaf in 1936 een aantal uitvoeringen van een stuk van Mathijs Reiniersz (pseudoniem van R. Ritzen) genaamd De Sjuurkirk va Spaubeek in 1799. Beschreven wordt de situatie van de priesters en de kerk tijdens de Franse Revolutie. Eén van de karakters, een kramer genaamd Nolke Bessems, wordt gezien als een Limburgs archetype: vrolijk, oprecht, ontroerend en eenvoudig met een gezond boerenverstand en een flinke dosis humor, waardoor hij zich in geen enkele situatie van de wijs laat brengen.
In 1938 voerde A.K.D.IJ. nog een toneelspel van Reiniersz op, getiteld ’t Hagelkruus va d’n Braomelenhof.
Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in de zomer van 1939, voerde het Zuid-Limburgs Toneel een stuk op waarin de vraagstukken van die dagen uiteen worden gezet. Dit stuk Ras, blood of bojem of De oerbattaviere van de Lommeleberg is ook weer geschreven door Reiniersz. Afgezien van de rollen van de professor en zijn vrouw is het stuk geheel in het Limburgs. In 1810 doet de Nederlandstalige professor onderzoek naar de ras-bloed-bodem theorie, waarbij de Lommelenberg als proefterrein wordt gekozen. Nolke Bessems, personage uit De sjuurkirk speelt hier de rol van de vrolijke Edel-Batavier.
De derde periode van de Nieuwlimburgse tijd ligt tussen 1945 en 1960. In de moeilijke tijd van wederopbouw na de bezetting was er weinig aandacht voor het Limburgs. Daarom zetten vooral veel leden van Veldeke zich in om mensen ervan te overtuigen dat het de moeite waard is om in het Limburgs te schrijven. Ook verviel Limburg weer in een conservatief katholicisme, wat onder andere blijkt uit de aansluiting die werd gezocht bij de vooroorlogse toneelstukken van Frans Schleiden uit Vijlen, die vooral na de Tweede Wereldoorlog verder ingang vonden.
Tijdens de laatste jaren van de bezetting in de Tweede Wereldoorlog begint Bèr Hollewijn (1907 - 1978) uit Maastricht met het schrijven van zijn werken, die worden opgevoerd door het toneelgezelschap De Kemediespeulers uit Maastricht. Net als de literatuur in deze periode is zijn werk duidelijk gebaseerd op de katholieke leer. Hij probeert die leerstellingen over zeer uiteenlopende onderwerpen op een realistische en voor iedereen begrijpelijke wijze te beschrijven om zo denkwijzen die als verkeerd werden gezien te bestrijden. Hollewijn slaagt er niet altijd in om echt toneel te schrijven. Vaak wordt beweerd dat zijn werk overwegend bestaat uit tendensstukken. Tot 1960 bleven De Kemediespeulers hun stukken in het Limburgs spelen.
Na 1954 legde ook de Speelgroep Geleen zich toe op de opvoering van Limburgse stukken, onder leiding van Sjef Nijsten en Max de Bruin. Ieder jaar werden er een twintigtal voorstellingen gegeven van oorspronkelijke, Limburgstalige toneelstukken van onder anderen Hub Janssen en Sjef Nijsten. Verder zorgde Max de Bruin voor vertalingen van werken van Wilfried Wroost, Frans Streicher en Erhard Asmus.
In deze naoorlogse periode werden meer oorspronkelijke werken geschreven, onder anderen door A. Ubaghs-Cobbenhagen, Leon Pluymaekers en R. Lambriks, Edgar Theunissen en Karel Matthijs. Harie Loontjens zorgde, zoals fraai wordt beschreven, voor een vertaling uit het Middelnederlands van het blijspel Elckerlyc als Spiegel vaan Zaolegheid van Ederein en Jan van Makske (Jan Wouters) zorgde voor de vertalingen Van de Vos Reinard en Ederein (Elckerlyc). Frans Vossen vertaalde Midsummernightsdream van Shakespeare naar het Limburgs als Ein ongerstong vol touvering. Ook werden De Kaptein vaan Köpenick en Trijn de Begijn vaak opgevoerd, wat hen de status gaf van evergreens in de Limburgse toneel- en musicalwereld.
Onder leiding van Hun Consten, die zelf ook andere stukken van Ballings naar het Limburgs vertaalde, bracht het Zuid-Limburgs Toneel in de jaren 1950 voornamelijk ook Limburgstalige toneelstukken op de bühne. In de jaren 1934-1964 had het Zuid-Limburgs Toneel 26 Limburgstalige toneelstukken op haar repertoire en speelde zij meer dan 650 voorstellingen.
Harie Loontjens (1902 - 1986) is een andere bekende auteur uit deze periode. Zijn literatuur is door haar katholiciteit en braafheid echter zeer tijdgebonden en tegenwoordig verouderd. Veel van de aspecten waar zijn werk om draait, worden goed uitgedrukt in een werkje dat al in 1939 is uitgebracht, namelijk Wat Limbörg heet en wèlt behawwe. Aan deze publicatie werkten ook Jac Schreurs uit Thorn, Frans Schleiden uit Vijlen en Edmond Jaspar uit Maastricht mee.
“LIMBÖRG!
Riek bis te aon al die veursprekers!
Veurgegaange door eus veurawwers
Kaome aandere nao en wee wèt,
Of in de jachtenden tied vaan dit ougenblik
Neet bij us of oonder us leve
Heilege die veer neet kinne:
Simpel Mojerkes wèrkend in hun hoeshawwes;
Vajers ploeterend veur hun kinder
Geisteleke veurgengers vaan ’t volk
Die stèl eweg in deenende Leefde
Geve wat zie te geve höbbe.
Slivvenhierke bewaort ouch dao-in
’t Limbörg vaan vreuger!
Laot us hawwe wat veer höbbe!
Veer höbbe dat vaan Uuch gekrege
En veer zölle mètwèrke oonder Eure zege
Tot ’t blieve zal, zoe wie ’t waor:
EUS LAND!
EUS VOLK!
EUS RELIZJIE!“
(Harie Loontjens, Wat Limbörg heet en wèlt behawwe, Eindhoven, 1939, 16)
Kribbelkes; gediechskes in ’t Mastreechs uit 1941, Vief Keersvertèllinge in ’t Mastreechs uit 1944 enWiecker lui; Vertèlsels in ’t Mastreechs uit 1946 behoren tot de bekendste boeken van Harie Loontjens.
Geheel in de geest van de naoorlogse tijd past Loontjens’ schitterende Limburgse vertaling van Elckerlyc - een Vlaams-Brabants, allegorisch toneelstuk of moralistisch werk van rond 1480. Elckerlyc is een symbolische voorstelling doordat verschillende figuren worden gebruikt als eigenschappen of relaties van mensen. In minder dan 900 versregels worden personificaties opgevoerd zoals Iedereen, God, de Dood, Vriendschap, Deugd, Kennis, Schoonheid en andere. Met God als eerste spreker, die de Dood naar Elckerlyc stuurt om hem verantwoording af te laten leggen. Omdat er een duidelijke religieuze moraal aan de basis staat van Elckerlyc (iedereen wordt voor God geroepen om rekenschap af te leggen), wordt dit ook wel een moralistisch werk genoemd.
Het thema van Elckerlyc is eenvoudig. Alles draait om de eindigheid van het leven en om de dood, die de mens uit het leven wegrukt om rekenschap af te leggen voor God. Dit was vooral in een Middeleeuws leven - wat onzeker was door ziekten en onophoudelijke politieke en militaire geschillen - een niet aflatend probleem. Ook de kerk legde zware nadruk op het leven na de dood.
Het drama van Elckerlyc is gebaseerd op de opvatting dat het menselijk leven dramatisch is. De mens staat “op het spel” en gaat voortdurend in de richting van de ontknoping, namelijk het onontkoombare en eeuwige oordeel van God. Cruciaal hierbij is zijn verhouding tot de deugd. De mens staat echter niet alleen. Geholpen door het heilsinstituut van de kerk kan hij biechten, boete doen en met het sacrament van de priester zijn geweten zuiveren en zijn deugd herstellen.
Felix Rutten (Sittard, 13-07-1882 – Rome, 22-12-1971) was tussen 1900 en 1940 al een bekende en toonaangevende Nederlandstalige, katholieke schrijver. Na de Tweede Wereldoorlog ging hij vanuit Rome in zijn tweede vaderland het Limburgs gebruiken voor zijn literaire werk. Net als bij Schleiden en Loontjens komt in Ruttens werk een hang naar het katholicisme en het goede leven van vroeger naar voren, bij Rutten gemengd met veel neoromantische trekken.
Felix Rutten studeerde Germaanse filologie in Leuven en promoveerde in 1909 in Luik op een proefschrift over Vondel. Intussen was hij al beroemd geworden als dichter in het spoor van de Tachtigers, een stroming binnen de Nederlandse literatuur. In 1910 maakte hij zijn eerste van een serie reizen door Europa en Noord-Afrika, waarvan hij in het Nederlands verslag deed in zijn literaire reisboeken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog en het decennium daarna was hij weer terug in Nederland. Hij werd ook bekend als redenaar (De Romantiek van Limburg) en toneelschrijver (Beatrijs). Op 22 februari 1919 trouwde hij met Marie Koenen en ging met haar in Geulle wonen. Hun huwelijk duurde tien jaar en eindigde in een scheiding. Na twee reisperiodes vestigde hij zich op 55-jarige leeftijd voorgoed in Rome, waar hij bekend werd als de Limburgse Romein en met veel bekende en minder bekende Nederlanders zijn liefde voor Rome deelde. Voor deze Rome-promotie kreeg hij in 1957 op het Capitool de medaille van verdienste van de Eeuwige Stad uitgereikt.
Na zijn laatste reis naar Limburg in 1938 is Felix Rutten nooit meer in Limburg terug geweest. Toch schreef hij vanaf zijn zeventigste het merendeel van zijn gedichten en verhalen in het Limburgs. Niet alleen bezong hij het Limburg van zijn jeugd, maar ook zijn persoonlijke problemen vonden hun weg in zijn Limburgstalige literatuur. Op zijn tachtigste verjaardag kreeg hij het ereburgerschap van de stad Sittard. Op 22 december 1971 stierf hij in Rome op 89-jarige leeftijd.
Van Rutten werden in 1957 het kerstverhaal Daags veur Krismes en de verzen Registro, in 1959 Novellen, in 1960 het nostalgische boekje Luuj en laeve: Oet awt Zitterd, in 1971 Et geheim van de Gröb en postuum in 1971 de bloemlezing uit zijn Limburgstalige werk Doe bleefs in mich gepubliceerd.
Harie Eussen (1901-1954), ook wel Hub Eussen genoemd, was een Limburgstalige dichter uit Ransdaal bij Klimmen. Hij geldt als één van de weinige uitzonderingen op de katholieke geest van de naoorlogse tijd en liet een ander, meer realistisch geluid horen in de Limburgse literatuur. Zijn beroep was hij kandidaat-notaris.
Behalve werken over het Ransdaals dialect, schreef hij gedichten en toneelstukken. Van zijn gedichten zijn enkele uitgaven bewaard gebleven in het tijdschrift van Veldeke, in Mosalect en in andere geschriften. Zijn bekendere gedichten zijn Perreplujekris en D’r käölderjong. Zijn toneelstukken zijn Boereblood en Wie d'r Giëleshaof óngergóng.
De volgende periode die we kunnen onderscheiden in de Nieuwlimburgse literatuurgeschiedenis is die van de ’68-ers (1960-1985). In deze periode zette men zich af tegen de conservatieve Roomse traditie en de katholieke beweging brokkelde snel af. De onderwerpen werden diverser en de thema's minder zoet. Er verschenen ook meer boeken en de taal zelf kreeg aandacht. Eén van de thema’s was het verschil tussen goed en slecht. In 1976 gaf Veldeke ter ere van het vijftigjarige jubileum een bloemlezing uit, getiteld Mosalect. In deze bundel staan gedichten en proza van schrijvers uit heel Limburg, enkele van voor 1925 maar de meeste van daarna.
Paul van der Goor (Roermond, 09-11-1932 – Roermond, 22-09-1983) was dichter en schrijver. Al in oktober 1952 publiceerde hij zijn gedicht Vrunj in het tijdschrift van Veldeke. Tussen 1952 en 1983 zou hij zo’n zestig gedichten publiceren in Veldeke, waaronder in 1977 een bundel van 16 gedichten, Tösse vreug- en naojaor. Van der Goor was één van de eerste Limburgse schrijvers die in het Limburgs schreef over buitenlimburgse thematiek, bijvoorbeeld over een razzia die hij meemaakte in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Limburgstalig proza heeft hij, in tegenstelling tot Nederlandstalig proza, vrij weinig geschreven. Het kinderverhaal Wie Remunj óntsjtange is - waarin de Christoffellegende is verplaatst naar de Maas in Roermond - en de vertaling van een deel van het Lucasevangelie zijn uitzonderingen hierop. In Mosalect zijn ook werken van hem gepubliceerd. Van 1976 tot aan zijn dood in 1983 was Paul van der Goor hoofdredacteur van het tijdschrift Veldeke.
Léon Veugen (Maastricht, 30-10-1919 – Narooma, Australië 03-04-2001) is de auteur van de eerste volwaardige Nieuwlimburgse roman. Hij kwam uit een slagersgezin van negen kinderen en was het op één na oudste kind was. Zijn vader had vroeger priester willen worden, maar toen hij tot de ontdekking kwam dat vrouwen mooie benen hadden, werd hij uiteindelijk slager. Léon had het waarschijnlijk van zijn vader dat hij als kind priestertje speelde, met een klein altaartje, een kazuifel en meer van dit soort attributen. Op het gymnasium aan het Hendrik van Veldeke College in Maastricht vatte hij dankzij zijn leraar Grieks, dr. Witlox, zijn eerste liefde op voor de Odyssea van Homerus. Na het gymnasium volgde hij zijn roeping en ging naar het Missiecollege St. Franciscus Solanus in Sittard, waar hij zich voorbereidde op het priesterschap in de katholieke kerk. In Sittard werd zijn passie voor de Odyssea sterker. Hij probeerde deze op een speelse manier te vertalen wat een voorbode bleek voor zijn latere werk. Net als zijn vader maakte hij de priesteropleiding niet af. Na zijn Sittardse periode heeft Veugen waarschijnlijk verschillende jaren buiten Limburg rondgezworven en op kamers gewoond in Rotterdam en Den Haag, waar hij onder andere freelance werkte voor het Prinses Irene Fonds voor langdurig zieken. Later, maar nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werkte hij op kantoor.
In augustus 1940 werd bij hem tbc vastgesteld en moest hij voor de eerste keer worden opgenomen in het sanatorium van Hornerheide. Hier zou hij zich verder verdiepen in de literatuur, hoewel hij er op dat moment niet serieus mee bezig was. Eén van zijn andere passies, tekenen, kwam goed van pas als afleiding voor de ziekte die hem aan bed gekluisterd hield. Toch verscheen een paar jaar later zijn eerst gepubliceerde gedicht in het Nederlands in het vierde nummer van Stijl in december 1943 onder het pseudoniem Eugène v. Lon, een anagram van zijn naam. Dit Nederlandstalige gedicht, getiteld Overgave, beschrijft een moment van mystieke extase.
Begin 1944 mocht hij van Hornerheide terug naar Maastricht, waar een paar dagen later (op Goede Vrijdag) een oud-collega van hem stierf. Dit inspireerde hem tot een gedicht in het Nederlands, getiteld Goede Vrijdag.
In 1960 verscheen er een schetsbundel van zijn hand met een sterk autobiografische inhoud, getiteld Es God bleef. Het zijn mijmeringen over vroeger, herinneringen aan zijn ouders en grootouders, portretjes van een volks leven in het Maastricht van de jaren twintig en dertig, voor het losbarsten van het geweld van de Tweede Wereldoorlog. Het is de wereld van een opgroeiend kind in de schoot van de familie, dat wordt grootgebracht met het geloof van de katholieke kerk en zich daarbuiten een weg probeert te vinden, op school en in zijn directe omgeving.
Al deze losse herinneringen heeft hij aaneengeregen in een acrostichon: de beginletters van elke mijmering vormen de titel van Debussy’s Prélude à l’Après-midi d’un Faune, een muziekstuk dat hem inspireerde. En zo heeft Veugen met zijn mijmeringen ook de stemming van Debussy’s Prélude getroffen, namelijk die van een lome zomerdag waarbij in de luchtige behaaglijkheid van de stilte flarden losse herinneringen zich aandienen, die samenvloeien tot pareltjes uit vroeger dagen.
Es God bleef werd viermaal herdrukt wat aantoonde dat Veugen gelijk had toen hij zei dat verhalen in een taal die dichter bij het volk staat (in dit geval het Limburgs) ook door het volk worden gelezen.
Veugens vrouw Mattie zag echter geen toekomst in Maastricht. Haar moeder en een aantal andere familieleden waren al naar Australië geëmigreerd en eind jaren 1950 begin jaren 1960 vreesde zij de communistische dreiging in Europa. Ze besloot dan ook dat het gezin naar Australië moest emigreren, zeer tot verdriet van Léons familie en zeker ook van Léon zelf, die ook nu geen “nee” kon zeggen. Het besluit van Mattie zou het leven van Léon tekenen en zijn verscheurde ziel zou steeds naar Limburg terug verlangen.
Eind jaren zeventig ging hij met vervroegd pensioen en keerde in 1979, gedesillusioneerd over zijn inmiddels vastgelopen huwelijk, terug naar Limburg. Een half jaar voor zijn terugkeer naar Maastricht reed hij met zijn auto in Australië door een winters landschap, wat hem sterk deed denken aan de koude carnavalsdagen in Maastricht. Op dat moment wist hij dat hij een roman ging schrijven. De lèste Carneval moest het gaan heten, hoewel het verhaal eigenlijk nauwelijks met carnaval te maken zou hebben. Omdat het gevaar bestond dat mensen dat verband wel zouden leggen, veranderde hij de titel op het laatste moment. Na er bijna negen maanden aan te hebben geschreven, werd zijn Limburgstalige roman op zaterdag vijftien maart 1980 officieel gepresenteerd in ’t Kelderke in Maastricht, met een introductie van They Bovens. 'ne Zöch vaan de Iewegheid was de titel en de oplage bedroeg 2000 stuks. Er verschenen verschillende krantenartikelen over het boek en op negen mei 1980 werd hij in het ROZ-programma De ronde van Limburg geïnterviewd.
Hoewel veel kleiner van opzet is ’ne Zöch vaan de Iewegheid - net als het epische nostos-verhaal de Odyssea van Homerus - een verhaal dat gaat over thuiskomst of een terugkeer. Charles, het hoofdpersonage in ’ne Zöch vaan de Iewegheid verlaat zijn vaderstad en zwerft naar het andere einde van de wereld. In een complexe verhaalstructuur met achronologische flashbacks laat Veugen de hoofdpersoon na zijn terugkeer terugkijken op het leven dat achter hem ligt.
De hoofdpersoon Charles herinnert zich tegen het einde van zijn leven gedurende een middag en avond enkele onvergetelijke momenten die hij koestert. Ondertussen maakt hij een vuurtje, rakelt het op en legt er wat meer houtblokjes op zodat het blijft branden. Het vuur als metafoor voor zijn leven en zijn passie. Op veel momenten in zijn leven zijn die twee één. “Ze hadde weer gespäöld mèt ’t vuur vaan vreuger”, schrijft Veugen als Charles en Penny hun passie beleven. Als hij na meer dan vijftien jaar Australië weer in Europa aankomt, haalt Penny hem op. Hij heeft voor haar nog hetzelfde gezicht en “... al laoge de ouge get deper, ’t vuur waos neet geblös.” Dat vuur heeft hem zijn hele leven beziggehouden en hoe pijnlijk het op momenten in zijn leven ook is geweest, zonder dat vuur was het misschien helemaal geen leven geweest, of in ieder geval niet zijn leven.
Vlammetjes stijgen op uit dat vuur met grillige figuren, net zo grillig als het leven van Charles waarin hij met allerlei figuren in aanraking komt. En dat zijn in eerste instantie de vrouwen, die het ene moment zijn leven met vurige passie vullen en hem het andere moment net zo grillig de diepste ellende laten meemaken. Het is Penny die hem de eerste keer de vurige passie van een vrouw laat proeven. Seksualiteit is sowieso iets wat Charles als door de nimf Calypso in haar grot van passie gevangen houdt, ook nadat hij is getrouwd. Miep, de vrouw van Charles, haalt hem weg uit Maastricht en brengt hem naar Australië, land van lotuseters en Cyclopen, land waar de tovenares Circe Charles heeft veranderd in een wild zwijn. En Miep is evenzeer een Calypso, die lange tijd in Australië geniet van zijn aanwezigheid, maar bij wie Charles, ook door zijn passie voor Penny, klaagt dat hij zijn Maastricht mist. Erika, die net als Penny een moment van vurige passie deelt met Charles in Australië, is als prinses Nausicaä van het eiland Scheria. Ze wil zich graag volledig aan Charles geven en ze wil hem hebben. Maar uiteindelijk zet Erika hem een stap verder op weg naar huis en net als in het land van Persephone komt Charles in aanraking met de aboriginals, mensen als geesten en verslaafd aan de drank. Door een donkere tunnel, alsof hij zich een doorgang verschaft naar de onderwereld, zoekt hij zijn Tiresias in de vorm van een aboriginal waarzegster. Welwillend door zijn bloedoffer van rode wijn, vertelt ze hem dat hij is gemerkt met een veertje en dat dit hem tekent als iemand die geen keuze heeft en steeds terug moet naar zijn nest. Miep houdt Charles uiteindelijk niet gevangen in hun huwelijk en stemt in met een scheiding. Charles’ besluit staat nu vast en niets of niemand kan hem daar meer van afhouden. Hij moet terug naar zijn Maastricht. Wanneer hij zich van Miep weet los te maken, brengt een derde vrouw hem terug naar Maastricht. Tante Yvonne heeft op haar oude dag en met haar reumatiek behoefte aan hulp, waardoor Charles de gelegenheid krijgt om naar zijn vaderstad terug te keren. Bij zijn terugkeer zit hij toch nog steeds gevangen. Penny laat hem niet gaan, maar geeft zich ook niet volledig aan hem. Heeft Charles bij haar, net als Odysseus bij Penelope, nog af te rekenen met andere liefdes?
Veugen laat ook een levenshouding in Charles doorschijnen die afsteekt tegen het planmatige, georganiseerde en fanatieke van zijn Nederlandse vrouw Miep. Zoals Charles van Spinoza weet, ligt het grootste genot besloten in het kennen van God. God en alles wat het leven inhoudt, zijn één en hetzelfde. Alles kennen en alles aanvoelen is de sleutel tot het geluk. Dit is overigens iets wat Charles na zijn jeugd heeft moeten leren. Het (katholieke) geloof dat hij van jongs af aan had meegekregen, maakte hem zo ongelukkig - wat betreft instelling en beleving van alles wat het leven en vooral de seksualiteit inhoudt - dat Charles er eerst mee moest afrekenen voordat hij zijn eigen weg naar God kon vinden. Es ist Dir gesagt, Mensch, was gut ist..., herinnert Charles zich van cantate 45 van Bach. De mensen werd vroeger voorgehouden wat goed was. Zo vaak dat het Charles de strot uitkwam.
Toen hij zich had losgemaakt van het geloof uit zijn jeugd, stond voor Charles de weg open naar zijn eigen ontdekking van God. Hij gelooft niet in toeval, maar uit ervaring weet hij dat alles een betekenis heeft, een diepere zin, en dat een mens er goed aan doet om de signalen die hij opvangt in acht te nemen. Dromen zijn voor Charles duidelijke signalen, die hij voor zichzelf probeert te verklaren, net zoals gedachten die spontaan in hem opkomen op momenten dat hij ergens over nadenkt.
Typerend voor deze levenshouding is wat er gebeurde op een dag toen hij in Sittard woonde en waaraan hij terugdenkt. Charles had een paar dagen vrij en besloot zich over te leveren aan het lot, de loop der gebeurtenissen die door toeval bepaald lijken, maar die door God worden beschikt. Hij zou die dagen reizend doorbrengen, alleen wetende dat hij in Maastricht zou eindigen via een bus naar Berg aan de Maas die op het station stond te wachten en waarvan hij voelde dat hij hem moest nemen. In de bus kwam de herinnering aan zijn eerste seksuele ervaring naar boven, waardoor hij wist dat hij die dag een vrouw moest liefhebben. De schrik sloeg hem om het lijf, want ging hij dan niet de verkeerde kant uit, naar Berg aan de Maas? Ging hij daar wel een vrouw vinden? Maar toen herinnerde hij zich dat hij zich aan het lot had overgeleverd en liet het lot zijn gang gaan. Dat lot liet hem denken aan de veerpont over de Maas naar Belgisch Eijsden, het ‘eldorado van de schuinsmarcheerders’. Via een paadje aan de andere kant van de Maas, dat steeds dichter was begroeid met een boog van canadapopulieren, werd hij naar dat eldorado geleid. Hij vroeg zich af hoe hij aan een vrouw kon komen. Op het moment waarop hij dacht aan een prent van de engelbewaarder die op zijn kamer hing, dwarrelde er een blaadje op zijn hoofd. Hierdoor twijfelde hij of hij verder moest gaan. Was dit een teken? Maar zijn lust kreeg de overhand en hij ging verder.
Het was die lust die hem naar dat verdachte huis, die hoerenkast, voerde waar hij Penny vond. Net als Penny zou die lust hem zijn hele leven niet loslaten. Ook niet nadat hij kort daarop Miep leerde kennen, met wie hij trouwde en twee kinderen kreeg. Eigenlijk voelde hij niet veel voor Miep, want ze hadden te vaak woorden om niets, maar omdat ze samen alles bij elkaar hadden voor een huisje en omdat hij zijn vrienden zag trouwen, trouwde hij toch met Miep.
Jaren later ging Charles terug naar Belgisch Eijsden om naar Penny te informeren. Zij had intussen een rijke man aan de haak geslagen met wie ze een tweeling had en ze woonde in Visé. Dit raakte hem zo in zijn ziel dat er niets meer met hem te beginnen was. Miep nam het besluit dat hij weg moest uit Maastricht en naar Australië moest emigreren. Charles kon alleen maar twijfelen tussen Penny en vertrekken met vrouw en kinderen. Terwijl Miep en de kinderen al waren vertrokken, zat hij zich op de laatste dag van het carnaval te bezatten. Op dat moment bracht het lot Penny weer naar hem toe en op de laatste dag van het carnaval deelde hij zijn hele verleden met haar, alsof morgen en de toekomst niet bestonden. Was het verwonderlijk dat het lot dit op de dag voor Aswoensdag liet gebeuren? Charles beleefde in de passionele roes met zijn Penny misschien wel het hoogtepunt van zijn leven. De dag na dit hoogtepunt was de dag waarop “... ’t kruus vaan stervend leve (...) graw op edere mins...” staat geschreven.
In het laatste hoofdstuk ziet Charles dat het vuur, waaraan hij tijdens het ophalen van al zijn herinneringen zoveel aandacht heeft besteed, volledig is gedoofd. Het had toch weinig zin om dat vuur aan te houden. Hij wilde alleen nog maar muziek opzetten en nadenken. Das musikalische Opfer van Johann Sebastian Bach. De Odyssee van Charles leidt hem ertoe zijn weg naar God te vinden. Bach: Es ist Dir gesagt, Mensch, was gut ist und was der Herr von Dir fordert, nämlich Gottes Wort halten, und die Liebe üben und demütig sein vor Deinem Gott. De tekst die Bach gebruikte staat geschreven in het Oude Testament bij de profeet Micha in Hoofdstuk 6, Vers 8: ER hat dir, o Mensch, gezeigt, was gut ist und was der Herr von dir wünscht (erwartet): gerecht zu sein, die Gnade zu lieben, und in Demut zu wandern mit deinem Gott. Het belangrijkste onderdeel is de genade om lief te hebben, wat een verbintenis tussen God en de mensen en ook tussen de mensen onderling uitdrukt. Charles’ laatste gedachten, als het tijd wordt om offers te brengen, bestaan uit een meditatie op deze cantate en deze Bijbeltekst. Zijn tijd van Liebe üben, zonder eerst te doen wat eerst wordt gevraagd, nämlich Gottes Wort halten, is voorbij. Nu moet het allemaal in de juiste volgorde gebeuren en vooral niet vergeten demütig te zijn. Liebe üben is voor hem niet moeilijk geweest. Hij hield van het leven en van veel mensen. De reis die Charles heeft gemaakt, voert hem uiteindelijk naar de terugkeer die voor iedereen is weggelegd, terug naar God.
En ondanks die ervaringen is Charles, of misschien ook wel Veugen zelf, niet bitter over zijn leven. De roman begint met een citaat van Homerus uit de Odyssea: “Want ’ne maan dee door minneg bitter ervaring is gegaange en wied eweg gewees is, kint zelfs vaan zienen elend genete, nao verloup vaan tied.” Over genieten gesproken, met Veugen valt er heel wat te genieten, van zijn schitterende vertelkunst en de manier waarop hij Charles of misschien ook zichzelf het leven laat leiden dat hem gegeven is. Dat dit levensverhaal nooit vervalt in geweeklaag of door melancholie lastig is te verteren, is niet alleen te danken aan Veugens vertelkunst, maar ook aan de vrijmoedigheid waarmee hij tegen het leven aankijkt.
Met ’ne Zöch vaan de Iewegheid heeft Veugen de eerste volwaardige Limburgstalige roman geschreven. De thema’s die hij gebruikt zijn binnen de Limburgstalige literatuur vrij uniek. Het terugkeermotief, in een Homerische vorm gegoten, de beleving van zijn seksualiteit en hoe deze een bepalende rol in zijn leven speelt en het omgaan met geloof buiten het kader van de katholieke kerk zijn vernieuwend en taboedoorbrekend. Hoewel hij terugkijkt op zijn leven en zijn geheugen opfrist om te kunnen genieten van lief en leed dat hij heeft meegemaakt, vervalt hij nooit in nostalgie. Het aanroeren van de aantrekkingskracht van zijn geboortegrond en de duidelijke bevestiging van zijn Limburgse identiteit naast een Nederlandse of Australische, voert nergens tot een overmatig chauvinistische inkleuring. Wat nog het meest ontroert in het boek is de eerlijke openhartigheid waarmee hij gedeeltes van een leven deelt en de menselijkheid durft te tonen en alles wat dit met zich meebrengt, zonder voorbehoud.
De generatie van ’68 in Limburg, waar Léon Veugen deel van uitmaakte, heeft de aanstoot gegeven voor de verdere rijping van de Limburgstalige literatuur. Hoewel vaderland, geschiedenis en katholiek geloof niet helemaal zouden afdoen als geliefde onderwerpen, leek de weg open te liggen voor een brede waaier van literaire motieven. En na Léon Veugen lag in ieder geval de weg open voor volwaardige Limburgstalige romans, die nu door meerdere Limburgse schrijvers zouden worden geschreven.
De roman Leef en leid in vreuger-jaore uit 1996 van Jac. Linssen (Maasbracht 24-01-1922) verhaalt over de bewoners van Maasbracht in 1918 en hoe zij zich door de lastige tijd van de Spaanse griepepidemie worstelden. Jo Cobben (Elsloo 1938) schreef in 2003 de roman De drie èngele van Aelse, waarin hij drie engelen, Sjang, Lewie en Geel voorstelt. In de hemel weten ze Petrus zoveel goede dingen over Elsloo te vertellen, dat hij hen verlof geeft om naar Elsloo terug te gaan en het Elsloo van nu met dat van vroeger te vergelijken. Beide schrijvers willen behalve de oude taal ook de oude gebruiken en tradities van hun woonplaats vastleggen. Zij doen dat echter op een verfijndere manier dan hun voorgangers en hoewel religie een rol speelt, staan de aspecten van het alledaagse leven duidelijk op de voorgrond, dit keer in een volwaardige roman.
Ger Bertholet (Klimmen, 1948) is acteur, schrijver, dichter, zanger en vertaler van toneelstukken, dikwijls onder het pseudoniem Zjèr Rapaille. Onder dit pseudoniem was hij bij de radio-omroep Limburg actief in ’t Verdreet van Limburg. Einde jaren 1980 regisseerde Bertholet de toneelgroep De Bron uit Noorbeek. Hij is een veelzijdig kunstenaar, die columns schrijft, radioprogramma’s presenteert en theater maakt. Om uitdrukking te geven aan zijn alter ego, de voordrachtskunstenaar Zjèr Bataille, heeft hij de Stichting Theater- en Danswerkplaats KWANT opgericht in Sittard.
Uit 1999 stamt zijn boek Sjweitberg, een selectie van zijn wekelijkse columns bij ’t Verdreet van Limburg. Hierin worden allerlei onderwerpen besproken waar de inwoners van een fictief, maar archetypisch Limburgs stadje mee te maken hebben. Onderwerpen zoals voorbehoedsmiddelen, erotiek, arbeidersleed en de Tweede Wereldoorlog komen er in voor. Verder zijn van hem onder andere gedichten in verschillende Veldeke publicaties, de theatermonologen Knötsj, Puen d´r Vuurmond, sjat en Mim en de operatekst Marthe bekend.
Max de Bruin bewerkte voor het theaterseizoen 2006/2007 een theatermonoloog, genaamd Pommere, naar een Duitstalig stuk van Felix Mitterer. In een pakkende voorstelling speelt hij een oude man die een vreugdeloos leven leidt in een bejaardenhuis en denkt aan de plezierige herinneringen van vroeger, maar ook aan alles wat hem is afgepakt. Centraal staat zijn gevoel van onmacht, na zijn gedwongen opname in het bejaardenhuis en zijn niet te winnen strijd tegen de regelneven die zijn leven nu bepalen.
Wim Kuipers (Maasniel 1939) schrijft gedichten en verhalen in het Nederlands en het Limburgs. Kuipers studeerde Nederlands en heeft jaren als journalist gewerkt in verschillende steden buiten Limburg en ook bij Dagblad De Limburger in Maastricht. Onder andere met Paul Prikken is hij één van de voorvechters van het Algemeen Geschreven Limburgs (AGL).
Van zijn taalrubriek Letterbak in Dagblad De Limburger is in 1988 een boek uitgegeven. Bij uitgeverij TIC is van hem onder andere verschenen Moeles en sjaelevaeger in 1999, Platlandj, gedichten uit Neel in 2000 en Kaoleries in 2002.
Joep Leerssen omschrijft de poëzie van Kuipers als volgt:
“Innerlijke monologen van ruwe kerels met een schuldig geweten of bittere herinneringen, die teruggraven in het verleden - hoe het was of hoe het misschien ook niet was, wat er fout is gegaan en waarom het verleden toch als een femme fatale blijft trekken... monologen van mensen met duizend stemmen in hun hoofd, die verdwaald zijn tussen hun gedachten en herinneringen, in een Limburg dat vertrouwd is en grotesk tegelijk: dat is het werk van Wim Kuipers.”
(Leerssen, Joep, in: Kuipers, Wim, Kaoleries, TIC Mestreech, 2002, 76.)
In 2000 kreeg Wim Kuipers de driejaarlijkse prijs voor de Limburgse volkscultuur. Verder vertaalde hij in 2006 het script voor de Limburgstalige televisiesoap De Hemelpaort vanuit het Nederlands naar het AGL.
Het einde van de 20e en het begin van de 21e eeuw brengt steeds meer schrijvers van formaat in de Limburgse taal. Joep Leerssen, Raymond Clement, Frits Criens, Jeanne Alsters-van der Hor, Colla Bemelmans en Toos Schoenmakers-Visschers zijn enkele namen van schrijvers die over uiteenlopende onderwerpen schrijven in de Limburgse taal.
Bronvermelding
Bakker, F., Kruijsen, J. (e.a.), Het Limburgs onder Napoleon; Achttien Limburgse en Rijnlandse dialectvertalingen van ‚De verloren zoon’ uit 1806-1807, Gopher Utrecht, 2007.
Bloemen, C., Maastrichts toneelleven; Drie eeuwen Maastrichts theater, 2den drök, Leiter-Nypels Mestreech, 1966.
Deschamps, J., Catalogus van de tentoonstelling van Middelnederlandse handschriften uit beide Limburgen 17 juli – 25 augustus 1954, Provinciale Bibliotheek te Hasselt, 1954.
Franquinet, E., Figuren uit de geschiedenis der Maastrichtsche dialect-litteratuur, Eigen Volk Scheveningen, 1931.
Frère, P. J., inleiding, in: Frère, J., Druvig Bukske, Cultuurfonds Groot-Limburg Dilsen, 1982.
Gorissen, A., De abdis en de zwerver; Marie Koenen en Felix Rutten en hun huwelijksjaren in Geulle, Marie Koenen Comité Geulle, 2005.
Jaspar, E. J. H., Wat eedere Mastreechteneer in verband mèt te annexatie-planne deent te weite, roond 1920.
Knuvelder, G., Vanuit wingewesten,; een sociografie van het zuiden, Brand’s Hilversum, 1930.
Loontjens, H., Wat Limbörg heet en wèlt behawwe, Eindhoven, 1939.
Noten, H., „Jao diech höbs us aon ’t hart gelege“; Het leven van Fons Olterdissen, Stichting Fons Olterdissen, 1996.
Overtocht, jaorgank 1, oetgaof 1, Verantwoording.
Rutten, F., Terugblik 1880- 1930, Prof. Dr. Timmersstichting en Stadsarchief Sittard-Geleen, 2003.
Schillings, H., Toneel en theater in Limburg, van Gorcum Assen, 1976.
Spronck, L., De Maastrichtse dialektliteratuur voor 1840, in: Miscellanea Trajectensia, Werken LGOG nr. 4, 435-495.
Spronck, Lou, Felix Rutten: Doe bleefs in mich; bloemlezing uit zijn dialektwerk, De Lijster Maasbree, 1982.
Tervooren, Helmut, Van der Masen tot op den Rijn; ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas, Historisches Verein für Geldern und Umgegend (105), 2005.
Vervuurt, A., 130 jaar Schinderhannes in Roermond 1865 – 1995, Werkgroep Schinderhannes Roermond, 1995.
Weelen, P., Ha! Tsjeng! Boem!, Limburgse Revues, Operettes en Musicals, TIC Mestreech, 2004.
http://www.dbnl.org/tekst/cali002onde01_01/cali002onde01_01_0008.htm (5-11-2007).
http://www.encyclopediabelgica.com/index.php/Elckerlyc (4-5-2008).
http://www.kunstbus.nl/literair/elckerlijc.html (4-5-2008).
http://www.veldeke-valkeberg.nl (28-9-2007).
http://www.zjaerbataille.nl/ (16-6-2008).