Nieuwlimburgs

In de 17e en 18e eeuw stonden de West-Limburgers onder Luikse heerschappij, terwijl Oost-Limburg staatkundig verbrokkeld was en werd overheerst door verschillende vreemde mogendheden. Een deel van de Oost-Limburgers viel onder de Republiek der Verenigde Provinciën, die zich steeds sterker deed gelden in het Limburgse gebied. Niet alleen op grond van de onderworpen status van het gebied waarin ze woonden, maar ook vanwege de katholieke godsdienst die ze aanhingen, werden deze Oost-Limburgers door de Hollandse staat niet als volwaardige burgers beschouwd. De dominante elite van de Republiek zag de Limburgse gebieden dan ook als bezette gebieden, waarbij ze de term occupatie gebruikten om de toestand in die gebieden aan te geven. Decennialang gebruikte de Republiek deze gebieden als onderhandelingstroef aan de internationale onderhandelingstafel. Ook in de 18e eeuw werden deze Limburgse gebieden door de Republiek nog steeds gezien als militaire voorpost.
Veel inwoners van de Limburgse gebieden die als Generaliteitslanden bij de Republiek waren gevoegd, ondervonden het Haagse bestuur als vreemde overheersing. De door de Nederlanders aangestelde bestuursambtenaren waren zeer impopulair. De meeste mensen in deze Limburgse gebieden behielden het katholieke geloof en lieten zich niet bekeren tot de protestantse godsdienst van de Hollandse veroveraar. Dit ondanks de grote materiële voordelen die de bekering met zich meebracht, zoals de mogelijkheid zich in een politiek ambt te laten benoemen. De Nederlanders werden vooral gezien als buitenlanders en bezetters. De mentaliteit van de Limburgers onder Hollandse heerschappij was in die tijd zowel on-Hollands als anti-Hollands.

Op enkele kleine uitzonderingen na is er in deze eeuwen vanuit Limburg nooit een oproep gedaan tot verandering van deze situatie. Daar was ook weinig aanleiding toe. Ongeacht wie de heerschappij over een stad of gebied zou hebben, ze zouden de oude rechten die een bepaalde mate van zelfbestuur garandeerden toch wel accepteren. De Hollandse Republiek was de eerste die hier in de 17e eeuw enige verandering in probeerde te brengen. Ook de Duitsers en de Oostenrijkers begonnen in de tweede helft van de 18e eeuw aan deze oude rechten te tornen. In het begin waren ze voorzichtig, maar de Oostenrijkse keizer Jozef II liep te hard van stapel en ondervond weerstand in zijn Limburgse gebieden.

Ondanks de staatkundige verdeeldheid waren er aan het einde van het ancien régime toch tekenen van eenheid in Limburg. Hoewel dit niet alleen voor Limburg gold, was de gebondenheid aan de religie bijzonder belangrijk, vooral vanwege de verdeeldheid op andere fronten. Ook uit de eigen taal en cultuur en de sterke culturele invloeden uit de omgeving – vooral uit de zuidelijke Lage Landen en de Rijnlandse gebieden - bleek de eenheid van deze Limburgse gebieden.

Vanaf 1789 kwamen er duizenden Franse vluchtelingen naar het Limburgse Maasland. In 1792 was er een grote doortocht, later gevolgd door Franse troepen. In eerste instantie werd Limburg (met uitzondering van Maastricht) bezet, maar al in het voorjaar van 1792 moesten de Franse revolutionairen zich terugtrekken. In de zomer van 1794 werden de Limburgse gebieden opnieuw bezet en werd Maastricht ingesloten. Op 4 november capituleerde Maastricht, waarna Frankrijk de Limburgse gebieden inlijfde. Aan de eeuwenoude en vrij grote, plaatselijke autonomie werd een einde gemaakt. Maastricht, dat zeker vijf eeuwen lang zichzelf had geregeerd, moest zich nu net als de rest van Limburg voegen naar de wil van een centrale autoriteit.
Voor de Fransen werd Limburg vanaf 1794 ”réunie à la patrie”, wat ook bleek uit het feit dat de Limburgers gewone Franse staatsburgers werden met vertegenwoordiging in het Franse parlement. Deze politieke rechten hadden sommige Oost-Limburgers in de Hollandse tijd niet gehad in Den Haag bij de Staten-Generaal van de Hollandse Republiek.

Op 1 oktober 1795 werd de bestuurlijke voorloper van het huidige Limburg, het Département de la Meuse inférieure ofwel het departement van de Nedermaas, geconstitueerd. Dit bestond uit Oost- en West-Limburg ten zuiden van Venlo, met uitzondering van Sittard. Juridisch gezien, was het departement van de Nedermaas op Luik gericht. De centrale administratie van het departement bevond zich in Brussel en wat kerkzaken betreft, viel het hele departement onder het bisdom Luik. Verder werd het departement van de Roer gesticht, dat het voormalige Gelders Overkwartier en alle voormalige Gulikse gebieden omvatte, waaronder Sittard en Horn, met Aken als hoofdstad.
Aanvankelijk werden er lokale ambtenaren aangesteld voor het nieuwe bestuursapparaat, maar wegens ongeschiktheid werden ze vanaf 1796 steeds vaker vervangen door Franse ambtenaren. De lokale ambtenaren namen echter ook zelf ontslag onder druk van de bevolking. Vanaf 1800 kwamen er weer Limburgse ambtenaren in het Franse bestuursapparaat. Dit keer mensen met meer ervaring, die ook onder het ancien régime hadden gediend. De Limburgse administrateurs in de Nedermaas traden echter niet altijd op als gewillige uitvoerders van Franse bevelen.

Er was grote weerstand tegen de Franse bezetting, hoewel de grote meerderheid van de bevolking passief tegenover de Fransen stond. Deze weerstand uitte zich vooral in het feit dat men geen medewerking verleende aan de Fransen en soms zelfs sabotage of openlijk verzet pleegde. Er waren veel klachten over de Fransen: de rooftochten van het revolutionaire leger, de ongunstige economische omstandigheden, de dienstplicht en vooral de maatregelen tegen de kerk en godsdienst. De Roermondenaren demonstreerden en riepen leuzen als “Weg met de Republiek” en “Leve de Keizer”.
In het departement van de Nedermaas brak door deze onvrede de Boerenkrijg uit, de enige actieve oproer in de Limburgse gebieden. Deze Boerenkrijg begon in naburige departementen en verspreidde zich naar de Nedermaas. Hoewel later begonnen dan in andere departementen, duurde de Boerenkrijg in de vorm van een guerrillaoorlog het langst in het departement van de Nedermaas.
De aanstoot werd gegeven door Brabanders, die Weert, Sint Truiden, Herk-de-Stad en Hasselt in staat van alarm brachten. Het Franse bestuur in Maastricht nam harde maatregelen. Diest werd echter korte tijd door de opstandelingen ingenomen. Toen ze van daaruit werden verjaagd, verspreidden ze zich rond Maaseik, Roermond en Weert. Op 4 december 1798 veroverden zij Hasselt op de Fransen. De Hasseltenaren waren wantrouwig, maar in het departement heerste enthousiasme en men hoopte op een snelle bevrijding. In de loop van december 1798 verloren de opstandelingen van de Fransen, die een waar schrikbewind instelden in het departement. Hoewel er in de nazomer van 1799 geen actief verzet meer was, bleef er sprake van een hardnekkig ondergronds verzet, dat in de Nedermaas het hardnekkigst was van alle departementen. Er boden minder inwoners actief verzet tegen de Franse overheersing dan in andere departementen, maar in plaats daarvan waren er meer die zich passief tegen de Fransen verzetten. In het oostelijk deel van de Nedermaas was er echter minder animo voor het oproer.

Hoewel de Limburgers aanvankelijk wantrouwend en negatief tegenover het revolutionaire regime van de Fransen hadden gestaan, veranderde dit langzamerhand onder invloed van Napoleon en omdat het erop leek dat de Franse legers onoverwinnelijk waren. Ook het feit dat de Fransen zich inzetten voor de economische belangen van de Limburgers zorgde ervoor dat steeds meer Limburgers hun negatieve houding opgaven. Vanaf 1800 keerde de rust in Limburg terug en tijdens zijn bezoek aan Limburg werd Napoleon zelfs enthousiast onthaald.

Van de kant van de Nederlanders werd ook geprobeerd een eind te maken aan de Franse overheersing van Limburg. Een afgezant van de verdreven stadhouder Willem V informeerde of de Limburgers een herstel van de oude orde wensten. Net als voor de Fransen was Limburg voor de Nederlanders een deel van hun vaderland. De afgezant van de Hollandse stadhouder werd echter meegedeeld dat de Limburgers niet gediend waren van een herstel van de oude orde. Ze hadden immers slechte herinneringen aan die tijd, vooral vanwege de onderdrukking van de katholieke godsdienst.

In januari 1814 nam het Russische leger onder generaal Von Wintzingerode voor de verbonden mogendheden de heerschappij in het departement van de Nedermaas over van de Fransen, hoewel enkele steden, zoals Maastricht en Venlo, nog Frans bleven. Het hoofdkwartier werd opgezet in Tongeren.
Direct na de Russische overname maakte de Prins van Oranje aanspraak op de vroegere Generaliteitslanden. Generaal Von Wintzingerode zei eerst zijn medewerking toe maar besliste later toch anders. De Nederlanders waren echter al begonnen de territoria van de voormalige Generaliteitslanden onder zich te stellen.
Of de Nederlanders het recht zouden hebben om deze gebieden te annexeren is onduidelijk, omdat ze deze bij het traktaat van Den Haag op 16 mei 1795 aan Frankrijk hadden afgestaan. Dit zorgde dan ook voor problemen met de verbonden mogendheden, die het bewind over het hele departement van de Nedermaas voerden. De rechten van de Prins van Oranje op territoria van het departement van de Nedermaas werden niet zomaar door de verbonden mogendheden erkend en hij heeft dan ook herhaaldelijk zijn troepen van de in bezit genomen gebieden moeten terugtrekken.

Op 5 mei 1814 trokken de Hollandse troepen Maastricht binnen en drie dagen later namen ze bezit van Venlo. In Maastricht moesten de Nederlanders het bestuur echter delen met de vertegenwoordigers van de verbonden mogendheden, in verband met de vroegere rechten van de prins-bisschop van Luik. De Nederlanders proclameerden dat deze steden nu weer met “het moederland” waren verenigd.
Toen de geallieerde legers Limburg binnentrokken, werden ze echter niet met vreugdebetoon onthaald door de Limburgse bevolking. Aan de oproep van de Hollandse koning om gewapende hulp te verlenen werd dan ook amper gehoor gegeven. Het vertrek van de Fransen werd alleen betreurd door de bovenlaag van de Limburgse bevolking. Grootgrondbezitters en industriëlen hadden immers geprofiteerd van de voordelen van het Franse regime. Hoewel de meerderheid van de Limburgers opgelucht was dat de Fransen waren vertrokken, betekende dit niet dat ze de Nederlanders enthousiast onthaalden. De Hollandse ambtelijke berichten van die tijd deden dat wel zo voorkomen, maar dat was meer een Hollandse wensdroom. Van een nationaal gevoel dat de Nederlanders graag hadden gezien, was in Limburg geen sprake. De Limburgers waren meer gehecht aan de eigen geboortegrond en de eigen gewoontes en levenssfeer waarin ze wilden leven en met rust gelaten worden. Verder waren ze bang dat de verhoudingen van het ancien régime terug zouden komen, waarvan de verdrukking, vooral van de godsdienst, hen nog goed voor de geest stond.
Toch hadden enkele bestuurders die ook voor de Franse periode hadden gediend een bepaalde mate van sympathie voor de Nederlanders. Hoe algemeen dit sentiment was, is echter niet bekend. Bovendien is het aannemelijk dat deze bestuurders protestant waren, want anders zouden ze niet in aanmerking zijn gekomen voor een bestuursfunctie in de Hollandse periode. Omdat weinig Limburgers zich tijdens het ancien régime tot het protestantisme bekeerden, waren deze bestuurders waarschijnlijk hoofdzakelijk Hollanders of van Hollandse afkomst. Dat zij sympathie voor de Hollandse prins hadden, was dan ook niet verwonderlijk.

Op het Congres van Wenen van 1814/1815 werden de zuidelijke Lage Landen, inclusief Limburg, onder de controlesfeer van Nederland geplaatst. Limburg ging hiermee tot de zuidelijke provincies van het nieuwe Verenigd Koninkrijk behoren.
In al deze zuidelijke provincies belegde de Hollandse koning Willem I een notabelenvergadering om te stemmen over de aansluiting bij de noordelijke Lage Landen en over een nieuwe grondwet. De koning selecteerde deze notabelen waarschijnlijk op hun pro-Hollandse gezindheid. Deze bemoeienis van de Hollandse koning met wie er vanuit Limburg naar Den Haag werd gestuurd, zou de hele 19e en het begin van de 20e eeuw duren. Bovendien werden de verkiezingen in Limburg telkens vanuit Den Haag beïnvloed.
Hoewel meer dan 60 % van de notabelen uit de zuidelijke Lage Landen tegen de nieuwe grondwet stemde, maakte Willem I hier met zijn arithmétique hollandaise (Hollandse rekenkunde) toch een meerderheid van die voor de grondwet was. De benoemde notabelen uit Limburg, Luik en Luxemburg hadden echter wel in meerderheid voorgestemd, waarschijnlijk ook vanwege hun band met de andere zuidelijke Lage Landen in het Nederlandse staatsverband. De stemming in veel delen van de zuidelijke Lage Landen had echter al duidelijk gemaakt dat het nieuwe staatsverband en de nieuwe grondwet hier niet op veel aanhang hoefden te rekenen.

De Nederlandse annexatie van Limburg bracht voor Limburg nieuwe economische impulsen. Hoewel ze nu politiek volwaardige burgers waren van de staat waarin ze woonden, werden de Limburgers op grond van hun katholieke geloof maatschappelijk gezien achtergesteld. Dit gebeurde vooral op het gebied van onderwijs en overheidsfuncties.
Door middel van interventies via de door haar aangestelde Limburgse gouverneur kon de Nederlandse regering zich ervan verzekeren dat de Limburgse vertegenwoordigers in het Nederlandse parlement pro-Nederlands waren. Opname van Limburgers in de Nederlandse staat vond dus meestal alleen plaats voor diegenen die afstand deden van hun Limburgse identiteit en zich naar Nederlandse criteria acceptabel gedroegen.

Limburg paste zich moeilijk aan de Nederlandse overheersing aan. Zeker tot 1822 waren er roerige periodes met onder andere het verdwijnen van de Limburgse afgevaardigde E. L. baron Surlet de Chokier uit de Tweede Kamer (1818) en zijn mislukte pogingen tot 1820 om terug te komen via herverkiezing en de Maastrichtse schutterijkwestie van 1818 tot 1822. Net als in de rest van de zuidelijke provincies was er opnieuw onvrede over de Nederlandse overheersing, die zich uitte via de verkiezing van Charles de Brouckère jr. in de Haagse Tweede Kamer in 1826 en het ontstaan van een uitgesproken oppositiekrant, l’Éclaireur, in 1827. In de provincie heerste een algemene ontevredenheid. De verkiezingen voor het Limburgse parlement (Provinciale Staten) van juli 1828 stonden in het teken van een zogenaamd monsterverbond tussen de katholieken en liberalen tegen de overheersing van de Nederlanders. In de tijd tot 1830 was er vooral ook oppositie tegen het centralistische en autocratische bewind van Willem I, waardoor Limburg zijn autonomie verloor.

Toen de Belgen zich in 1830 van het Nederlandse koninkrijk afscheidde, schaarde een belangrijk deel van de Limburgse bevolking zich aan de zijde van de Belgen of in ieder geval bleef verzet hiertegen uit. Belgische troepen bezetten zonder tegenstand het Limburgse Maasland, met name de steden Venlo, Roermond en Sittard. Na de proclamatie van de Belgische generaal Daine - die in Hasselt, Maaseik en Roermond al was binnengelaten - dat hij de stad kwam verlossen van de Hollandse arrogantie, dwingelandij en koloniale exploitatie, opende ook Venlo de poorten. In 1830 hing men in Sittard zelfs overal de Belgische vlag uit. Heel Limburg kwam snel onder Belgische controle, behalve Maastricht, dat door Hollandse troepen was bezet. In Maastricht was men echter ook voor aansluiting bij België. Heel Limburg, ook oostelijk Limburg, wilde van de Hollandse overheersing af. Omdat Maastricht nog onder Hollandse heerschappij stond, verplaatsten de Belgen het bestuur over Limburg naar Hasselt.
De anti-Nederlandse stemming werd, behalve door het autocratische optreden van de Hollandse koning, veroorzaakt door de politiek op het gebied van religie, onderwijs en taal. De Limburgers voelden zich niet alleen cultureel meer met België verbonden, maar stonden ook positief tegenover België vanwege de grotere politieke vrijheid, de lagere belastingen en het ontbreken van religieuze problemen.

De Limburgers zouden echter niet zelf over hun lot kunnen beslissen. De Belgen en de Nederlanders zaten in Londen aan de onderhandelingstafel, samen met de Europese grootmachten. Deze grootmachten bepaalden uiteindelijk dat Oost-Limburg weer onder Nederlandse heerschappij moest komen.
Limburg protesteerde fel tegen deze beslissing. De inwoners van Sittard stuurden een petitie naar de Nederlandse koning, waarbij ze fel tegen een nieuwe Nederlandse overheersing protesteerden. De gouverneur en Provinciale Staten van Limburg gingen naar Brussel om hun aanhankelijkheid aan de Belgische koning te tonen en overhandigden een petitie. De Limburgse afgevaardigden in het revolutionaire Belgische Parlement protesteerden uitdrukkelijk tegen aansluiting van Oost-Limburg bij Nederland. Omdat er tussen 1831 en 1840 geen Limburgse vertegenwoordigers in het Nederlandse parlement zaten, kon Limburg op deze manier zijn stem in den Haag niet kenbaar maken.
Bijna zonder uitzondering tekenden ook alle Limburgse gemeenten via hun Protestations du Limbourg protest aan tegen de gedwongen aansluiting van Oost-Limburg bij Nederland. De volgende Limburgse gemeenten stuurden een petitie naar de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers: Meerssen, Melick-Herkenbosch, Swalmen, Berg, Hunsel, Heerlen, Locht, Gulpen, Baexem, Belfeld, Haelen, Heel en Panheel, Beegden, Valkenburg, Beesel, Sittard, Horn, Schaesberg, Stramproy, Neeritter, Linne, Ohé en Laak, Horst, Ittervoort, Wessem, Weert, Vaals, Thorn, Stevensweert, Meijel, Arcen en Velden, Posterholt, Montfort, Grathem, Bree, Neer, Susteren, Nederweert, Roosteren, Bocholtz, Broeksittard, Munstergeleen, Kerkrade, Meerlo, Mook, Sevenum, Ottersum, Wanssum, Venray, Broekhuizen, Grubbenvorst, Bergen, Tegelen. De Belgische koning kreeg petities toegestuurd van: Eijsden, Mheer, Lottum, Noorbeek, Broekhuizen, Kessel. Ook burgers van enkele van deze gemeenten stuurden op eigen initiatief petities, zoals de officieren van de civiele garde van het kanton Roermond.

Uiteindelijk zorgde een internationaal machtswoord, op aandrang van de Nederlandse koning, ervoor dat Oost-Limburg tegen de volkswil in bij Nederland werd gevoegd. Als protest hing men op verschillende plaatsen in Oost-Limburg de Belgische vlag uit. Toen in 1839 in Sittard de vertegenwoordiger van de Nederlandse koning de proclamatie van inbezitneming voorlas, bleef het ijzig stil. In Maastricht, Venlo en Roermond gaven veel vooraanstaande burgers te kennen dat ze van de nieuwe Nederlandse overheersing af wilden en aansluiting bij België wensten. Toen het duidelijk werd dat Oost-Limburg onder Nederlandse heerschappij zou worden geplaatst, vertrokken ongeveer 10.000 Oost-Limburgers naar de westelijke kant van de Maas, die onder Belgische heerschappij bleef. In de hoofdstad Maastricht verliet tussen 1830 en 1845 zeker een vijfde van de bovenklasse de stad voor de nieuwe Belgische staat.

Oost-Limburg kwam niet alleen onder Nederlands bestuur maar werd ook aangesloten bij de Duitse bond, uitgezonderd Maastricht en Venlo. In kerkelijk opzicht werd het losgemaakt van Luik en werd het zijn eigen bisdom. Oost-Limburg werd hierdoor afgescheiden van haar economische achterland, waarvan het eeuwenlang deel had uitgemaakt. Het was door hoge tolmuren afgesloten van West-Limburg en de rest van België en Duitsland en vanwege de weinige en slechte verbindingen ook van het verafgelegen Holland.
West-Limburg kwam echter ook in een perifere positie in de nieuwe Belgische staat te liggen en door de Nederlandse tolmuren rond Oost-Limburg werden haar banden, vooral de economische, met Oost-Limburg en het Rijnland afgesneden, terwijl het hiermee eeuwenlang verbonden was geweest.

Hoewel Oost-Limburg al vanaf juni 1839 weer onder Nederlandse heerschappij stond, gaf de laatste Oost-Limburgse afgevaardigde pas in 1843 zijn zetel in het Belgische parlement op. De eerste Oost-Limburgse vertegenwoordigers werden pas vanaf oktober 1840 in het Nederlandse parlement toegelaten. Het Nederlandse parlement reageerde niet onverdeeld instemmend op de toelating van de Limburgse vertegenwoordigers. Voor sommige Nederlandse parlementsleden waren Limburgers verraders, maar anderen kwamen op voor de Limburgers. Door hun verlate toelating konden de Limburgse afgevaardigden niet meewerken aan de herziening van de Nederlandse grondwet, die dan ook op 24 september 1840 zonder Limburgse participatie en instemming in Oost-Limburg werd ingevoerd.

De 19e eeuw zou voor de Oost-Limburgers in het teken staan van de katholieke emancipatie binnen de Nederlandse protestantse staat. Ondanks het feit dat men als staatsburger van de Nederlandse staat dezelfde rechten had als andere Nederlandse staatsburgers, werden Limburgers op grond van hun katholiciteit vaak uitgesloten van de hogere functies in het bestuurs- en bedrijfsleven. De emancipatie wat betreft hun katholiciteit werd als voltooid beschouwd toen de katholieke Limburger Ruys de Beerenbrouck in 1918 premier van Nederland werd. Wat betreft hun Limburgse identiteit was dit echter niet het geval. Officieel gebruik van het Limburgs was niet mogelijk en deelname aan de Limburgse volkscultuur werd als reden gebruikt om mensen af te wijzen voor bepaalde functies.

Vanaf de Nederlandse annexatie tot 1919 werden vanuit Oost-Limburg vrijwel zonder uitzondering alleen Limburgers naar het Haagse parlement gestuurd. Er kwamen maar weinig Oost-Limburgse afgevaardigden met separatistische sympathieën in het Haagse parlement. Den Haag mengde zich actief in de Oost-Limburgse verkiezingen om ervoor te zorgen dat er niemand vanuit Oost-Limburg naar Den Haag kon worden gestuurd die afscheiding van Limburg voorstond of zich anti-Nederlands opstelde. Ook de manier waarop het kiesstelsel was opgezet, werkte in het voordeel van de Nederlandse verkiezingsinterventies in Oost-Limburg. Daarom waren er in de 19de eeuw in Oost-Limburg geen vrije en eerlijke verkiezingen.
Hoewel zij onder de Nederlandse grondwet geacht werden uitsluitend de belangen van het hele land te dienen, eiste de Oost-Limburgse kiezer vaak van zijn afgevaardigden dat zij de Limburgse belangen dienden. De Oost-Limburgse vertegenwoordigers lieten ook vaak de Limburgse belangen de doorslag geven. Tijdens verkiezingen in 1864 kwam er een provinciale beweging opzetten, de Limburgse oppositie geheten, die zich ertegen uitsprak dat Oost-Limburgse vertegenwoordigers banden aanknoopten met Nederlandse politieke groeperingen. Dit zou de belangen van Oost-Limburg te zeer in de weg staan. In de jaren daarna werden die politieke banden, die vooral met de liberalen waren aangegaan, verbroken.
Oost-Limburgse parlementariërs hadden de reputatie afwezig of buitengewoon passief te zijn bij de parlementaire werkzaamheden. Ze hielden zich afzijdig, mopperden, hielden hun mond of stemden tegen. Op momenten waarop de staatsrechtelijke positie van Oost-Limburg in het Haagse parlement werd bediscussieerd, presenteerden de Oost-Limburgse afgevaardigden zich ook uitdrukkelijk als vertegenwoordigers van Oost-Limburg en niet van het hele land, in tegenstelling tot hoe de Nederlandse grondwet het voorschreef.

De afkeer van de Nederlandse overheersing in de 19de eeuw zorgde ervoor dat er steeds naar mogelijkheden werd gezocht hier onderuit te komen. Toen de eerste aansluiting bij België in 1830-1839 mislukte, werd er gedacht aan een Luxemburgse oplossing voor Limburg. De separatisten probeerden hiervoor via het Limburgse parlement (Provinciale Staten) een petitie naar Den Haag te sturen, maar de door de Nederlanders benoemde gouverneur voorkwam dit. De Limburgse droom van onafhankelijkheid naar Luxemburgs voorbeeld liet zich echter niet verloochenen.
Toen een onafhankelijk Limburg niet mogelijk bleek, wilde Limburg zich rond 1848 bij een zich verenigend Duitsland aansluiten. In de eerste decennia na 1839 werd in Oost-Limburg dikwijls aangedrongen op aansluiting bij Duitsland. In 1848 werd overal in Sittard de Duitse liberale vlag uitgehangen. Ook in Heerlen hing men de Duitse vlag uit en verschillende Oost-Limburgse gemeentebesturen richtten een verzoek aan het parlement in Frankfurt. Hiermee probeerden ze de Duitse vereniging te stimuleren en spraken ze zich uit voor afscheiding van Oost-Limburg van Nederland en voor volledige toetreding tot de Duitse Bond. In 1848 stuurde Limburg vertegenwoordigers naar het liberale parlement in Frankfurt. Met uitzondering van Maastricht en Venlo werden er overal verkiezingen gehouden om afgevaardigden naar dit eerste nationale parlement in Duitsland te sturen. Baron Van Scherpenzeel-Heusch, de leider van de beweging voor aansluiting van Oost-Limburg bij Duitsland, werd samen met een andere aanhanger gekozen als vertegenwoordiger voor Oost-Limburg bij het Frankfurtse parlement. Hij behaalde in ieder geval in het noorden van Oost-Limburg, bijvoorbeeld in Roermond, een overgrote meerderheid van stemmen. Toen de vereniging van Duitsland in Frankfurt mislukte, werd Oost-Limburg in 1867 door de Europese grootmachten uit de Duitse Bond losgemaakt en volledig onder Nederlandse heerschappij geplaatst.

In de jaren 1880 vond er tussen de provincie Oost-Limburg en de Nederlandse overheid een vlaggenstrijd plaats. Limburg wilde een vlag voeren, wat geen enkele andere provincie binnen het Koninkrijk der Nederlanden deed en wat zelfs door de Nederlandse overheid verboden was. Het was dezelfde vlag als de zusterprovince in België voerde, namelijk met twee banen, een rode en een witte. Oost-Limburg wilde de kleuren echter in omgekeerde volgorde hebben als West-Limburg, namelijk wit boven en rood onder. Oost-Limburg werd meegedeeld dat het geen onafhankelijke staat was en daarom geen vlag mocht voeren. Toen de Nederlandse regering zag dat Oost-Limburg niet tegen was te houden, veranderde ze haar politiek. Het verbod werd afgeschaft en iedere provincie kreeg de mogelijkheid een eigen vlag te voeren.

In de laatste decennia van de 19de eeuw begonnen zich in Oost-Limburg moderne ontwikkelingen voor te doen. Bepaalde elementen van de voorafgaande historische ontwikkeling bleven echter doorwerken, met name de eeuwenlange culturele verbondenheid met de zuidelijke Lage Landen en de ondervonden eenheid met West-Limburg. Hoe meer tijd er verstreek, hoe meer de Oost-Limburgers zich echter begonnen aan te passen aan een staatkundige situatie die kennelijk niet snel zou veranderen.

De West-Limburgers waren ondertussen in de staat terecht gekomen die voor de Limburgers de voorkeur had gehad. In die staat hadden veel Limburgers hoge posities, ook op nationaal niveau. In de loop van de 19e eeuw werd West-Limburg echter steeds meer meegetrokken in de Vlaamse Beweging, die voor emancipatie van de Vlamingen tegenover de Franstaligen stond. Het doel van de Vlaamse Beweging vereiste interregionale samenwerking. Hoewel de West-Limburgers zich van deze beweging enigszins afzijdig hielden, wat door de Vlamingen vaak met wantrouwen werd bekeken, werden ze erdoor geremd in de ontwikkeling van een zelfbewustzijn. De Vlamingen begrepen de Limburgse opstelling niet en hadden het gevoel dat er tussen hen en West-Limburg een Chinese muur stond. Bij de Nederlanders was de interesse voor deze Vlaamse Beweging groot. De Oost-Limburgers waren hier verder niet in geïnteresseerd.

De onvrede over de Nederlandse overheersing van Oost-Limburg bleef onder een deel van de bevolking voortleven. Deze onvrede had ook te maken met de positie die Oost-Limburgers in die Nederlandse staat konden innemen. Zeker tot 1918 was Limburgerschap een probleem voor benoeming in hoge overheidsfuncties geweest, met uitzondering van regeringslid. Ook bij promoties werd Limburgerschap als een reden gezien deze niet te verlenen. Eind jaren 1920 nog bekleedden meer Nederlanders hoge functies in Oost-Limburg dan Limburgers zelf. Dit was het geval bij de economisch zeer belangrijke staatsmijnen en bij veel andere bedrijven en overheidsdiensten. Waar bij de staatsmijnen in Oost-Limburg de Nederlanders de leidinggevende functies hadden, waren dat de Walen bij de mijnen in West-Limburg.
De Oost-Limburgse onvrede werd weer duidelijk na de Eerste Wereldoorlog. In 1918 liet de Nederlandse regering toe dat Duitse troepen die in België oorlog hadden gevoerd zich via Oost-Limburg terugtrokken naar Duitsland. Als oorlogsvergoeding eiste de Belgische staat tijdens de vredesonderhandelingen in Versailles op 11 februari 1919 dat op zijn minst een gedeelte van Oost-Limburg onder Belgische soevereiniteit werd geplaatst.
Ferdinand Hustinx, een voorstander van aansluiting van Oost-Limburg bij België, was van mening dat de sentimenten in Oost-Limburg in die tijd zo lagen dat als de Oost-Limburgers zelf hadden kunnen kiezen, ze voor aansluiting bij België zouden hebben gekozen. Hustinx meende dat de Limburgse geestelijkheid zich met die aansluitingsgedachte troostte. Dit ondanks het feit dat het bisdom Roermond sinds zijn oprichting in 1839 steeds positie had genomen tegen afscheiding van Nederland, in de veronderstelling dat het katholieke geloof onder de Nederlandse heerschappij goed was beschermd.
Nederlandse ambtenaren werden belast met anti-annexatie acties in Limburg. Hun inschatting was dat het annexionisme zich tot enkele kringen beperkte. De Limburgse elite was in 1919 zo Nederlandsgezind dat ze zelfcorrigerend optrad tegen separatisten. Dit betrof vooral de politieke elite, die na bijna een eeuw van Nederlandse verkiezingsinterventies tegen afscheiding was. In tegenstelling tot vroegere tijden was de leidende klasse van de Oost-Limburgers meer en meer aan Nederlandse universiteiten opgeleid, wat voor een groot deel hun voorkeur verklaarde voor het onder Nederlandse heerschappij blijven van Oost-Limburg. Dit maakte de Limburgse politieke elite al aan het einde van de 19e eeuw tot een ideaal mikpunt voor spot. In een carnavalspublicatie stond geschreven: Wis geer dat eus Limburgse kamerlede op d’n doer hun Limburgse stumme kwietrake vaan ’t hoeghollands spreke wat zie doen? Ondanks dat er weinig separatistische elementen in het Haagse parlement konden komen, gaf toch een enkele Limburgse vertegenwoordiger uiting van separatistische gevoelens.
Ook vonden de Oost-Limburgers dat de Nederlanders hun belangen bij de vredesonderhandelingen in Versailles niet goed waarnamen. De Maastrichtse gemeenteraad stond zelfs op het punt een eigen vertegenwoordiger naar Versailles te sturen.

Een ambtenaar van het Britse Foreign Office - dat de situatie in Limburg lange tijd onder de aandacht hield - omschreef de stemming onder de Oost-Limburgers in de periode van de ophef over de annexatie op de volgende manier: "The population of Dutch Limburg has always been independent and inclined to resent Dutch interference, but they resent the idea of Belgian rule still more."
Toch bestond er zeker tot aan de Tweede Wereldoorlog een stroming binnen Oost-Limburg die hereniging met West-Limburg wenste binnen het Belgische koninkrijk. Deze stroming leek echter gaandeweg aan terrein te verliezen. In 1927 verspreidde een Belgisch vliegtuigje propaganda voor afscheiding van Limburg van de Nederlandse staat, kennelijk in de veronderstelling dat hiervoor nog aanhang was te vinden. Een paar jaar eerder, op 12 maart 1925, richtte Jules Schaepkens uit Riemst, voorzitter van het Limburgs Geschiedkundig en Oudheidkundig Genootschap, samen met Dominique Sassen en Mathias Kemp in Oost-Limburg de Limburgse Liga op. Het doel van de Liga was, zoals dat in de taal van die tijd werd geformuleerd, ‘het behoud van al het goede wat Limburg had en de bescherming van de nieuwe toekomst van de kinderen van eigen land’. In 1922 hadden ze al het tijdschrift De Nedermaas opgericht. Vanaf 1928 werd echter weinig meer vernomen van de Liga. De katholieke kerk werkte tegen en de Liga verloor aanhang, ook omdat ze ervan werd beschuldigd zich in te zetten voor het Belgische annexionisme.

Nadat aansluiting bij België of Duitsland op niets was uitgelopen, een eigen staat naar Luxemburgs voorbeeld was mislukt en ten slotte na de Eerste Wereldoorlog hernieuwde aansluiting bij België onmogelijk leek, richtten de Oost-Limburgers zich na de Tweede Wereldoorlog op verdere integratie binnen de Nederlandse staat. Hierbij speelde het Limburgerschap echter vaak een centrale rol, zowel voor de Oost-Limburgers zelf als voor de andere Nederlanders. Bovendien bleef Limburgerschap vaak een obstakel voor benoeming in hoge maatschappelijke of overheidsfuncties. Onder de mantel van het georganiseerde katholicisme hebben de Limburgse Tweede Kamerleden tussen 1849 en 1970 nog vaak een Limburgse agenda gevoerd.

Bronvermelding
Borromeus, Maastricht in de Tachtigjarige Oorlog, Vos Maastricht, 1948.
Bos, N. Migranten en optanten; De uittocht van de Maastrichtse bovenlaag na de Belgische Opstand nader beschouwd, in: Maaslandse Melange, opstellen over Limburgs verleden, LGOG 14, 1990, 226-244.
Geurts, A. J., Stemming en stemming maken; Noordoost Limburg in het voorjaar van 1848, in: Maaslandse Melange, opstellen over Limburgs verleden, LGOG 14, 1990, 262-274.
Israel, J. I., De Republiek 1477-1806, 5e druk, Van Wijnen Franeker, 2001.
Jappe Alberts, W., Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers, Elsevier Amsterdam, 1981.
Knuvelder, G., Vanuit wingewesten; een sociografie van het zuiden, Brand’s Hilversum, 1930.
Lammers, C. J., Nederland als bezettende mogendheid 1648-2001, KNAW Amsterdam, 2003.
Lemmens, E., Aan vorst en vaderland gehecht, doch tevreden zijn zij niet; Limburgse politici in Den Haag 1839-1918, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2004.
Manning, A. F., Reacties op de scheiding in Nederlands Limburg, in: Eenheid en Scheiding van de beide Limburgen; verslagbundel van het op 26 mei 1989 te Alden Biesen gehouden congres bij gelegenheid van de herdenking 150 jaar beide Limburgen, Eisma Leeuwarden/Maastricht 1989, 165-180.
Nissen, P. J. A., De ontplooiing van het regionaal zelfbewustzijn in de beide provincies Limburg na 1839, in: Eenheid en Scheiding van de beide Limburgen; verslagbundel van het op 26 mei 1989 te Alden Biesen gehouden congres bij gelegenheid van de herdenking 150 jaar beide Limburgen, Eisma Leeuwarden/Maastricht 1989, 181-212.
Nuyens, E. M. Th. W., De staatkundige geschiedenis der provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839, LGOG nr. 2 Maastricht, 1956.
Publications du Comité de Politique Nationale, La Protestation du Limbourg; quelques documents 1831-1839, Van Oest Bruxelles, 1919.
Ramakers, E., ’Een Schuldig pligt-verzuim?’; Petitiebewegingen in Limburg tot herstel van grieven 1828-1830, in: Maaslandse Melange, opstellen over Limburgs verleden, LGOG 14, 1990, 201-225.
Slofstra J. (ed.), Roman and Native in the Low Countries; Spheres of Interaction, BAR International Series 184, 1983, 105-128.
Thewissen, Ch., Het Hollands tijdperk te Maastricht (1632 – 1638), Voghelstruys-reeks nr. 2 Maastricht, 1959.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.
Ubachs, P. J. H., Evers, I. M. H., Ongewilde revolutie; het Limburgs Maasland onder Frankrijk 1794-1814, LGOG nr. 130 Mestreech, 1994.
VandeBeeck, Th., Grauwels, J., De Boerenkrijg in het Departement van de Nedermaas, LGOG nr. 3 Maastricht, 1961.
Veldeke, jubileumnummer uitgegeven bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1951.
Vlekke, B. H. M., Van ’t gruwelijck verraet in den jare 1638 op Maestricht gepractiseert; studies over de vestiging van het Staatsche gezag over Maastricht in de jaren 1632 tot 1639, Neerlandia Antwerpen, 1938.

http://www.jachthoornblazers.nl/content/Blazers/de_limburgse_vlag.htm (16-02-2007).