Taal & Gebruik

Limburg had in de periode tussen grofweg het einde van het Frankische rijk en 1600, zoals altijd, een taalpositie die niet overeenstemde met die van het grootste gedeelte van de Lage Landen. Taalkundig was er al in de vroege middeleeuwen een deling in de Lage Landen, waarbij de westelijke Lage Landen (met Vlaanderen, Holland en Brabant) zich duidelijk onderscheidden van het oostelijk gelegen Maas-Rijngebied. Het Limburgs volgde in die tijd zijn eigen taalontwikkeling, die veel meer gericht was op het oostelijk gelegen Rijnland. De grote taaltegenstellingen binnen de Lage Landen waren dus die tussen west en oost. West was Vlaanderen, Zeeland en Holland, met West-Brabant en Utrecht als bufferzones. Oost was onder andere Oost-Brabant, Limburg en het aangrenzende Rijngebied.

Uit onderzoek is trouwens gebleken dat er tussen 1288 en 1400 - na de Limburgse Successieoorlog waarbij Brabant als overwinnaar uit de strijd kwam - zeer weinig Brabantse beïnvloeding van de Limburgse schrijftaal heeft plaatsgevonden. De Loonse graven van West-Limburg waren bijvoorbeeld duidelijk georiënteerd op cultuurcentra in de Duitse landen. Verder waren er waarschijnlijk ook kleinere Limburgse steden die fungeerden als cultuurcentra en van waaruit een taalgebruik werd uitgestraald dat prestige had in de rest van Limburg.

In Vlaanderen, Brabant en Holland ontstonden er echter initiatieven om minder typische woorden niet meer volgens de uitspraak van het eigen dialect te schrijven maar te kiezen voor een spelling die in het hele taalgebied kon worden gelezen. Ook Vlaanderen begon voorzichtig met de eigen literaire productie en dit Vlaams heeft de basis gelegd voor de latere Nederlandse schrijftaal. Het Brabants zou zich uitbreiden naar de taal van de westelijke Lage Landen en na het Vlaams de meeste invloed hebben op de latere schrijftaal van de Nederlanders. Wat echter een grotere stimulans was voor een groeiende eenheid tussen Vlaanderen, Holland en Brabant was de snel in gebruik komende ambtelijke schrijftraditie, waarbij het Vlaams ook weer een pioniersrol heeft gespeeld.

Het Limburgs stond geheel apart van deze ontwikkeling en heeft vanaf het begin niet meegedaan aan het initiatief voor deze gezamenlijke, geschreven standaardtaal van Vlaanderen, Brabant en Holland. De Limburgse traditie, en vooral de schrijftraditie, was duidelijk gericht op het Duitse Rijk. Het feit dat Limburg een paar eeuwen daarvoor deel uitmaakte van het hartland van Karolingisch Europa zal er natuurlijk voor hebben gezorgd dat het gebied cultureel op Aken was gericht, met de rug naar het noorden en het westen. Vlaanderen, Brabant en Holland lagen in een andere invloedssfeer dan Limburg. De Limburgse taal en cultuur is daarom niet doorgedrongen in deze gebieden, maar dat betekent ook dat de Limburgse taal en cultuur niet in verbinding stond met de taal en cultuur van Vlaanderen, Brabant en Holland.

Het Latijn zou - zoals ook gebruikelijk onder de Franken - nog eeuwenlang de schrijftaal blijven, waarbij het gebruik van de volkstaal in de schaduw stond. In veel delen van de Lage Landen vond de overgang van het Latijn naar de volkstaal niet direct plaats, maar meestal na een kortere of langere overgangsperiode met Frans taalgebruik. De ambtelijke stukken waren dikwijls oorkondes, voornamelijk over grondbezit van grootgrondbezitters of kerkelijke instellingen.
De rechtspraak vond echter ook in de volkstaal plaats, maar tot de 12e eeuw is hier amper iets over opgeschreven, en wat er toch is opgeschreven, staat in het Latijn.

In deze middeleeuwse tijd bestond er in de Lage Landen echter nog steeds geen enkele standaardtaal. Hoewel er initiatieven waren voor een gezamenlijke, geschreven standaard in Vlaanderen, Holland en Brabant, had iedere streek en vaak iedere stad zijn eigen dialect. Ook door heel Limburg werd een per regio verschillende vorm van Middellimburgs gebruikt als bestuurstaal voor oorkondes, schenkings- koop- of huuraktes, rechtspraak, testamenten en overheidsdocumenten in het algemeen.

Limburg neemt hier in vergelijking met de rest van de Lage Landen een bijzondere positie in. Door heel Limburg werden langer dan in de rest van de Lage Landen oorkondes in het Latijn opgesteld, namelijk tot in het midden van de 14e eeuw. Uit de periode tot aan 1300 zijn niet veel Limburgstalige documenten overgeleverd. In het Corpus-Gysseling - een register van alle teksten uit de Lage Landen uit die tijd - zijn in totaal zeven teksten uit het Maas-Rijngebied terug te vinden. Dit betekent niet dat er niet meer is geschreven, maar op de vraag waarom er niet meer materiaal is teruggevonden, is geen duidelijk antwoord te geven.
Toch begon de volkstaal in de 13e eeuw ook in Limburg sterk op te komen als overheidstaal. Er zijn omvangrijke goederenregisters van Alden Biesen vanaf 1280 en in Tongeren werden in 1277 oorkondes in de volkstaal geschreven. Uit een oorkonde van 1243 uit Sittard blijkt dat het Limburgs toen al werd gebruikt als bestuurstaal. Ook in Maastricht werden charters geschreven in de eigen taal. Uit het Statutenboek van Maastricht van 1380 en uit verschillende andere Maastrichtse oorkondes blijkt dat het Limburgs in de 14e eeuw ook in Maastricht als bestuurstaal werd gebruikt. In archieven van de oude gemeente Heerlen bevinden zich ook stukken die wijzen op het gebruik van het Limburgs als bestuurstaal in de 15e en 16e eeuw.

Langzaamaan begon er wel een omslag te komen. Aan het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw kwam er snel verandering in de eeuwenoude politieke en religieuze situatie van het Maas-Rijnland. De oorspronkelijke Nederrijnse machtscentra, die van oudsher de politiek in dit gebied hadden bepaald, werden aan de kant geschoven door andere machtscentra die zich toegang tot het gebied verschaften.
Voor Limburg betekende dit een verdere verbrokkeling, die ook van invloed zou zijn op de Limburgse taal. Zo werd in Sittard de Middellimburgse schrijftraditie al vanaf 1555 vervangen door de Hoogduitse. Vanuit het noorden bemoeide de Hollandse Republiek met haar gereformeerd-calvinistische inslag zich met Limburg. Vanuit het westen, met Brussel als hoofdstad, waren er de Habsburgers als belangrijkste rivalen van de Nederlanders. Hierbij werd de Hollandse taal steeds meer als dominante taal ingevoerd ter vervanging van het Limburgs. Deze politieke ontwikkelingen zorgden ervoor dat de eeuwenlange traditie van de Limburgse taal werd afgebroken, waarbij de literatuur het langzaamst op deze gedwongen verandering zou reageren.

Bronvermelding
Frings, Th., Ginniken, van, J., Zur Geschichte des Niederfränkischen in Limburg, in: ZfdMaa 13-14 (1918-1919), 97-208.
Israel, J. I., De Republiek 1477-1806, 5e druk, Van Wijnen Franeker, 2001.
Jappe Albers, W., Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers, Elsevier Amsterdam, 1981.
Kessen, A., Over de taal der oudste Limburgse, niet-literaire bronnen, in: Ts. 13 (1934), 280-297.
Linssen, C. A. A., Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen, Van Gorcum Assen/Maastricht, 1985.
Moors, J., De oorkondentaal in Belgisch-Limburg van circa 1350 – 1400, Brussel, 1952.
Noldus, L., Opmerkingen bij het dialect van Belgisch Zuid-Limburg in de 13e, 14e en 15e eeuw, in: Leuvensche Bijdragen 28 (1936), 65-93.
Robinson, O. W., Old English and its closest relatives; A survey of the earliest Germanic languages, Stanford University Press, 1992.
Tervooren, Helmut, Van der Masen tot op den Rijn; ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas, Historisches Verein für Geldern und Umgegend (105), 2005.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.
Vries, de, J. W., Willemyns, R., Bruger, P., Het verhaal van een taal; negen eeuwen Nederlands, Prometheus Amsterdam, 1993.
Willemyns, R., Het verhaal van het Vlaams; De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 2003.

http://www.ned.univie.ac.at/publicaties/taalgeschiedenis/en/anltexte.htm (28-5-2008).