Literatuur

Het Maas-Rijnland, waartoe ons huidige Limburg behoort, geldt als één van de belangrijkste Europese literatuurlandschappen van de 12e eeuw. Dit heeft het niet zozeer te danken aan eigen innovatieve prestaties, maar meer aan de transferpositie die het innam. Uit de Romaanse cultuur werden belangrijke literaire motieven gehaald, die vervolgens werden doorgegeven aan het aangrenzende Germaanse taalgebied richting zuiden, zuidoosten en oosten. Echter ook in de richting van Vlaanderen en Brabant werd de Limburgse literatuur doorgegeven.

In de 11e en 12e eeuw was de boekproductie in het Limburgse Maasland op een hoger niveau dan elders in de Lage Landen en zelfs in heel Noord-Europa. Manuscripten uit de Limburgse kloosters getuigen van een vakmanschap van Europese allure. Ook andere cultuuruitingen, die allemaal verband hielden met het religieuze leven, waren van diezelfde uitzonderlijke kwaliteit, zoals architectuur, miniatuurkunst, ivoorsnijkunst en schilderkunst. In tegenstelling tot andere literaire vormen, zijn er uit de 12e en 13e eeuw weinig voorbeelden van lyriek, vooral hoofse lyriek, uit het Maas-Rijngebied.

Vooral het werk van Hendrik van Veldeke wordt in de Duitse traditie zeer gewaardeerd. Hendrik van Veldeke werd vernoemd naar de plaats waar hij vandaan kwam. Veldeke lag, naar men tegenwoordig aanneemt, in de buurt van Hasselt. Waarschijnlijk groeide van Veldeke op tussen de adel en geestelijkheid en heeft hij ook een geestelijke opleiding gehad, wat voor iemand van zijn achtergrond gebruikelijk was. Zo’n opleiding was in die tijd in het Limburgse Maasland overal te volgen. Uit zijn werk komt ook naar voren dat hij de voorlopers van het Frans en Duits en ook het Latijn zeer goed beheerste. Naar men aanneemt was hij een wereldgeestelijke die naast zijn literair werk ook als klerk werkzaam was voor verschillende heren waarvoor hij ambtelijk schrijfwerk verrichtte.
Van Veldeke heeft een vrij homogeen corpus geproduceerd met vrij weinig varianten. Hij is één van de weinige middeleeuwse troubadours die naast epiek ook lyriek heeft geschreven en behoort bovendien tot één van de meest creatieve en vruchtbare dichters van zijn tijd. Van Veldekes moedertaal was Limburgs, maar veel van zijn werk is overgeleverd in dialecten die meer tegen het Nederlands en Duits aanliggen. Daarom wordt hij ook beschouwd als voorvader van de Nederlandse en Duitse literatuur.

Van Veldeke is waarschijnlijk al voor 1170 begonnen aan zijn Eneas en heeft de epiloog voor 1190 geschreven. Zijn inspiratiebron hiervoor was de Roman d’Eneas die kort daarvoor, rond 1160 was verschenen. Dit betekent dat het Limburgse Maasland cultureel gezien nauw in contact stond met het Anglo-Normandische koningshuis. Voordat hij het werk had voltooid, leende van Veldeke het manuscript uit aan de gravin van Kleef, waarna het werd gestolen door een Thüringse edelman. Negen jaar later werd van Veldeke uitgenodigd door Herman van Thüringen om het boek aan zijn hof te voltooien. Het is niet helemaal duidelijk of de roman oorspronkelijk in het Limburgs is geschreven.

Eén van de bekendere liederen van Veldeke is zijn lied over de hoofse minnaar Tristan, dat voornamelijk gaat over de allesoverheersende liefde van Tristan voor koningin Isolde. Tristan is gestuurd om haar uit Ierland op te halen als bruid voor zijn koning en per ongeluk drinken ze tijdens de terugweg op het schip met zijn tweeën uit een liefdesbeker, waardoor ze voor eeuwig aan elkaar worden verbonden.

Het veelzijdige talent van Hendrik van Veldeke blijkt ook uit zijn Sint Servaaslegende, waarmee hij aantoonde behalve epiek en lyriek ook het genre van de beschrijving van heiligenlevens te beheersen. Met zijn meer dan 6000 verzen overtrof de Sint Servaaslegende alle tot dan toe in de volkstaal geschreven legendes. De Sint Servaaslegende is opgedeeld in twee lange hoofdstukken met elk zo’n drieduizend verzen. Het eerste beschrijft het leven van Sint Servaas; het tweede gaat over de vele wonderen die Sint Servaas na zijn dood heeft verricht.
De oudst bekende versie, die fragmentarisch is overgeleverd, stamt uit ca.1220. De taal waarin hij dit schreef was Limburgs, waarbij hij heeft geprobeerd een soort algemeen Limburgs te gebruiken door nergens in zijn werk een duidelijk lokaal accent te gebruiken.
Van de lyriek van Veldeke bestaan alleen nog maar Hoogduitse bronnen. Ook hierin klinkt echter regelmatig zijn Limburgse moedertaal door, waardoor duidelijk is dat van Veldeke zijn poëzie in het Limburgs schreef voor een Limburgs publiek. Daarna is het verhoogduitst om er een ander publiek mee te dienen.

Dat de traditie van het schrijven in het Limburgs in het Limburg van de 12e eeuw ook na van Veldeke bleef voortbestaan, staat wel vast. Hoewel er weinig teksten zijn gevonden, blijkt uit een oorkonde van de bisschop van Luik van 1202 dat alle van ketterij verdachte boeken over het Heilige Schrift moesten worden ingeleverd. Hij gaf heel duidelijk aan dat dit ook betrekking had op boeken in de Germaanse volkstaal, dus wat we nu Limburgs noemen. In andere delen van de Lage Landen buiten Limburg zijn geen literaire teksten bekend. De eerste teksten uit Brabant komen pas ruim een eeuw na van Veldeke.

Eén van die weinige andere Limburgse teksten uit de 12e eeuw komt uit de omgeving van Roermond en Heinsberg en is één van de oudste hoofse romans: de Trierse Floyris. De roman is uit de Romaanse traditie overgenomen en vertelt over de liefdesgeschiedenis van Floris en Blancefloer, de grootouders van Karel de Grote, die zelf een literair personage van de Maas-Rijn regio was. Het fragment is het oudste dat van deze tekst in het Germaanse taalgebied is gevonden.

De reis van Sint-Brandaan is een wonderverhaal uit de 12e eeuw. Het draagt elementen in zich zoals geestelijk en wereldlijk, heldenverhaal en heiligenleven, informatie en amusement, het sacrale en het speelse. Zeevaartverhalen, een homerisch odysseeverhaal, Oud-Ierse scheepvaartverhalen, visioenen van andere werelden en legendes, en middeleeuwse boekenkennis werden in één verhaal ineengevlochten. Het is een archetypisch zeeverhaal waarbij het hoofdpersonage, de abt Brandaan, zich op zee begeeft, zoekend naar de zin van het bestaan en zichzelf. Het verhaal zelf wortelt in rijke tradities en verwijst naar de heilige Ier Brandaan (Brénainn) van Clonfert, die rond 575 n. Chr. op bijna honderdjarige leeftijd is gestorven en over wie veel verhalen werden verteld.

De 13e eeuw levert weer meer fragmenten van Limburgstalige manuscripten op. De Limburgse Aiol bestaat uit overgeleverde fragmenten van mogelijk na 1220. Het betreft een epische tekst, die één van de vele verhalen over keizer Karel de Grote vertelt en door een tijdgenoot van van Veldeke moet zijn geschreven. De tekst is geschreven in de Limburgse taal van die tijd, mogelijk uit de buurt van Venlo. Oorspronkelijk bestond de tekst uit ruim honderdvijftig bladzijden of tienduizend verzen. De Franse brontekst is mogelijk rond 1170 ontstaan en de eerste Limburgse vertaling ervan al in de 12e eeuw. Deze fragmenten zijn echter de oudste die zijn gevonden, ouder dan de Hollandse, Italiaanse en Spaanse vertalingen. De auteur is onbekend, evenmin als de vertaler.

Fragmenten van Limburgse vaktaal of de taal van wetenschappelijke traktaten komen uit Noord-Limburg in de vorm van de zogenaamde Limburgse Gezondheidsregels. Deze werden in 1253 in de marge van een Latijnse kalender geschreven.
Het Nederrijns Moraalboek stamt uit de periode tussen 1270 en 1290 en komt uit de omgeving van Venlo. Anders dan de voorgaande teksten is dit boek geen verhaal waarin hoofse of heilige helden en hun leven worden beschreven, maar meer een bloemlezing van moralisaties, overwegingen en citaten van geleerde autoriteiten, waarbij abstracte en theoretische regels in het Limburgs op papier zijn gezet. Het boek gaat terug op het Moralium dogma philosophorum, dat waarschijnlijk door Guillaume de Conches van de kathedraalschool van Chartres en de Sorbonne rond 1120 is geschreven. De hoofdbronnen zijn niet van christelijke auteurs, maar eerder van klassieke Romeinse schrijvers, zoals Cicero, Seneca en anderen.
Een ander overgeleverd fragment dat ergens in de 13e eeuw in het Limburgs is geschreven en afkomstig is uit de omgeving van Venlo, is Hendrik en Claredamye. Het betreft een avontuurlijke kruisvaarders- en liefdesroman die ook al in de 12e eeuw in het Romaanse taalgebied bekend was. Het gaat over de terugkeer van Hendrik van Normandië uit de Oriënt, waar hij Claredamye, de dochter van de koning van Mekka, voor zich won.

Verder zijn er nog veel andere oude Limburgse teksten uit de 13e eeuw bekend, vaak ook alleen uit fragmenten. De Lunterse Liederen/Gedichten uit het begin van de 13e eeuw hebben de liefde als thema en worden ook als Limburgs gezien, met enkele Brabantse en Gelderse elementen erin. Het Leven van Sinte Lutgart door Willem van Affligem, evenals het zogenaamde Limburgse Leven van Jezus, stammen uit het laatste kwart van de 13e eeuw (1275-1300). In München werd recentelijk een 13e eeuws tekstfragment gevonden van een Frans ridderverhaal dat een slag tussen het leger van Karel de Grote en de Saracenen beschrijft. Het lijkt erop dat de taaloorsprong van die tekst ook voornamelijk in Limburg ligt. Een vroeg voorbeeld van liefdesredes is verder het Maastrichts fragment van rond 1280.

De Limburgse Sermoenen, waarschijnlijk van rond 1300, bestaan uit een collectie van 48 handgeschreven preken en traktaten die ooit deel uitmaakten van zo’n 500 manuscripten en vroege drukken. Het zijn de oudst bekende preken in het Limburgse taalgebied en ze zijn mogelijk afkomstig uit het zuidoostelijke Maasland, hoewel anderen van mening zijn dat ze meer uit de buurt van Sint-Truiden komen. Waarschijnlijk voeren de teksten terug op Middelfrankische en Latijnse teksten, maar de oorsprong is niet zeker. Van de 48 teksten van het handschrift zijn er 32 een vertaling van de Duitse Sankt Georgener Predigten (oorspronkelijk 39 teksten), waaraan 7 preekteksten zijn toegevoegd die één geheel lijken te vormen en het lijden en sterven van Jezus centraal stellen. De resterende 9 teksten vertonen onderling minder samenhang, maar hebben wel dezelfde motieflijn in de vorm van de liefdesmystiek die de brandende liefde voor Onze-Lieve-Heer uitdrukt. In deze sermoenen is onder andere het Maastrichtse Passiespel opgenomen.

Rond 1360 nam de franciscaner pater Broeder Geraert verschillende legendes van heiligenlevens, die een eeuw tevoren waren beschreven door Willem van Affligem, opnieuw onder handen. Rond 1400 werd er ook een fragment van meerdere duizenden verzen over het leven van de heilige Trudo (de stichter van de abdij van Sint-Truiden) opgetekend in de Limburgse volkstaal. Kennelijk was zuidwestelijk Limburg - en vooral de omgeving rond Sint-Truiden - in die tijd een centrum van legendedichters. Ook in de omgeving van Maastricht, Maaseik en Venray werden er echter legendes van heiligenlevens vertaald naar de eigen taal. In de 13e en 14e eeuw stond Limburg bekend als land waar veel legendes vandaan kwamen. Het “Maastrichts heiligenleven” uit het vierde kwart van de 15e eeuw is een korte legende uit Maastricht die in het Limburgs is geschreven. In deze legende, die is ontstaan in het Maastrichtse Bogaardenhuis St. Bartholomeus, worden de levens van elf heiligen beschreven, onder wie vier Limburgse heiligen: Servaas, Trudo, Lambertus en Rombout.

Rond 1400 stelde een kartuizer monnik een compendium samen met meditaties over het leven van Christus, het zogenaamde “Bonaventura-Ludolfiaanse leven van Jezus”. Een ander voorbeeld van zo’n soort meditatie zijn de Meditationes de passione Christi van Jordanus van Quedlinburg, waarin het lijdensverhaal van Jezus wordt verteld zoals het is opgetekend in het Johannesevangelie. Hiervan zijn veel vertalingen in het Limburgs behouden gebleven in de regio.

Er bestaan vertalingen in de volkstaal van de Imitatio Christi van Thomas van Kempen uit het midden van de 15e eeuw. Ook in Limburg komen hiervan exemplaren voor, onder andere afkomstig uit: het bejaardenhuis St. Bartholomeus in Maastricht, het Jerusalemklooster in Venray, het klooster van Sint Agnes in Maaseik, het Norbertinessenklooster in Houtem en het Emmausklooster van de tertiarissen in Roermond.

Uit het noorden van Oost-Limburg stamt ook een Limburgs Gebedenboek uit de 15e eeuw met een vierhonderdtal gebeden, die kennelijk door één auteur zijn verzameld aan het handschrift te oordelen. De taal is onmiskenbaar Limburgs met enkele invloeden uit de omliggende gebieden. De gebeden zijn waarschijnlijk verzameld in een klooster waarvan de oorsprong onduidelijk is. Het boek biedt een rijke en systematisch geordende verzameling van gebeden, zoals: gebeden tot de Heilige Drievuldigheid, de Hemelse Vader en Jezus, passiegebeden, gebeden van de vijf wonden, de zeven bloeduitstortingen, misgebeden, gebeden voor de ontvangst van het Heilige sacrament, gevolgd door gebeden tot Onze Lieve Vrouw en achterin het boek gebeden tot verschillende populaire heiligen.

Een verzamelhandschrift uit de tweede helft van de 15e eeuw uit het Windesheimer klooster “St. Maria ter Noot Gods” in Tongeren bevat de Tongerse liederen, die deel uitmaken van een manuscript met onder andere Latijnse preken, traktaten en rijmgebeden. Van de verschillende liederen zijn er tien in de toenmalige Limburgse volkstaal geschreven.

Uit het begin van de 16e eeuw dateren enkele voorbeelden van creativiteit met vooral gebedsteksten uit het nonnenklooster van Sint Agnes in Maaseik. Zes handschriften uit die periode tonen aan dat deze vrouwen actief waren op literair gebied.

Voornamelijk uit de noordoostelijke rand van het Maas-Rijnland zijn er liederenboeken overgeleverd uit de 16e eeuw. Voorbeelden hiervan zijn een dozijn liederen uit Het Venlo-Gelders Huisboek van het begin van de 16e eeuw en de Venlo-Gelderse Liederencollectie van het einde van de 16e eeuw. De liederen gaan hoofdzakelijk over de liefde waarin de middeleeuwse liefdeszang nog doorklinkt. Het Venlo-Gelders Huisboek is verder vooral een bron van liefdesverklaringen.

Bronvermelding
Israel, J. I., De Republiek 1477-1806, 5e druk, Van Wijnen Franeker, 2001.
Janssens, J. D., In de Schaduw van de Keizer; Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130–1230), Walburg Pers Zutphen, 2007.
Jappe Albers, W., Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers, Elsevier Amsterdam, 1981.
Linssen, C. A. A., Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen, Van Gorcum Assen/Maastricht, 1985.
Robinson, O. W., Old English and its closest relatives; A survey of the earliest Germanic languages, Stanford University Press, 1992.
Tervooren, Helmut, Van der Masen tot op den Rijn; ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas, Historisches Verein für Geldern und Umgegend (105), 2005.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.
Vries, de, J. W., Willemyns, R., Bruger, P., Het verhaal van een taal; negen eeuwen Nederlands, Prometheus Amsterdam, 1993.
Willemyns, R., Het verhaal van het Vlaams; De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 2003.

http://www.ned.univie.ac.at/publicaties/taalgeschiedenis/en/anltexte.htm (28-5-2008).