Van de staatkundige verbrokkeling van Limburg na de Frankische tijd was in West-Limburg het minst sprake. Rond het jaar 1000 vormde zich daar het graafschap Loon, dat in ieder geval rond 1200 onder Lodewijk II van Loon bijna heel West-Limburg besloeg. Hij probeerde ook delen van Oost-Limburg met zijn graafschap te verenigen, maar dat lukte minder goed. De hertogen van Brabant en van Gelre uit het noorden en de bisschoppen van Luik uit het zuiden waren er al vanaf de 11e eeuw op uit om delen van Oost- en West-Limburg in handen te krijgen. Tot aan de 13e eeuw zouden ze echter weinig succes hebben.
Met de Limburgse Successieoorlog barstte er aan het einde van de 13e eeuw een strijd los om de erfopvolging van het oude Hertogdom Limburg, dat grotendeels op Luiks grondgebied lag. Door de inmenging van Brabant en Gelre, die noordelijk van de Limburgse gebieden lagen, speelde deze strijd zich voornamelijk af op het grondgebied van het huidige Limburg. De apotheose was de Slag bij Woeringen op 5 juni 1288. Hierbij kwamen de Brabanders als overwinnaars uit de strijd. Sinds de Limburgse Successieoorlog was de Brabantse politiek in Limburg erop gericht om zoveel mogelijk gebied in bezit te nemen, vooral in het zuiden van Oost-Limburg.
De hertog van Brabant kreeg rond 1200 onder andere een deel van Maastricht in handen waar de bisschop van Luik al langer rechten had. Deze twee heren van Maastricht kwamen in 1284 overeen de stad met z’n tweeën te besturen op grond van de Alde Caerte. Met deze constitutie zou Maastricht als onafhankelijke stadstaat tot aan de Franse Revolutie apart van alle andere Limburgse gebieden staan. Het lot van Maastricht zou echter ook steeds dat van de andere gebieden van Limburg bepalen.
De Limburgse Successieoorlog bracht ook de ondergang van de zelfstandigheid van Loon dichterbij. Door de Brabantse overwinning in de oorlog werd de Brabantse druk op Loon steeds groter. De Loonse graven zochten daarom aansluiting bij de bisschop van Luik. In het eerste kwart van de 14e eeuw mengde de Loonse graaf zich daarom in Luikse aangelegenheden, om zo sterker tegenover Brabant te staan. Hierdoor bracht hij zijn graafschap financieel aan de grond, wat ertoe leidde dat Loon in september 1366 onder Luikse heerschappij kwam te staan. Voortaan zouden de Luikse bisschoppen ook de titel van graaf van Loon voeren en zou West-Limburg onder Luikse heerschappij staan.
Bourgondië annexeerde Brabant en in 1396 de door de Brabanders veroverde Limburgse gebieden, die toen al de Landen van Overmaas werden genoemd. Het Luikerland, waaronder West-Limburg viel, werd in 1468 ingenomen. Na de zuidelijke Lage Landen te hebben veroverd, maakten de Bourgondiërs zich ook meester van de noordelijke Lage Landen, met de dood van de laatste onafhankelijke graaf van Holland in 1425. Tot 1425 vormden de Lage Landen twee gescheiden politieke circuits, waarbij het noorden gekenmerkt werd door het Hollandse streven naar dominantie. De Bourgondische hertog hield zich afzijdig van de Hollandse oorlogen in het noorden en liet de Staten van Holland politiek hun gang gaan. Dit leidde echter tot conflicten in de zuidelijke Lage Landen, waardoor de politieke en economische verdeeldheid tussen noord en zuid bleef bestaan.
Tussen 1473 en 1477 werd het Gelders Overkwartier, de delen van het noorden en midden van Oost-Limburg die onder Gelre vielen, ook bezet door de hertog van Bourgondië. Eerst werd Roermond bezet, daarna Venlo en vervolgens de andere delen van het Overkwartier. Toen de Bourgondische hertog Karel de Stoute in 1477 stierf op het slagveld, bevrijdde het Overkwartier, Maastricht en het Luikerland met West-Limburg zich echter van de Bourgondiërs en namen de inwoners van de Landen van Overmaas hun rechten weer in eigen hand. In 1478 werd er in Roermond een landdag gehouden, waarop men besloot om zich tegen de Bourgondische machtspolitiek te verzetten en hulp te zoeken bij Lodewijk XI van Frankrijk en de bisschop van Luik. Omdat hulp uitbleef, onderwierp het Overkwartier zich echter opnieuw aan de Bourgondische macht. Aan het einde van de 15e eeuw kwamen de inwoners van het Overkwartier nog één keer in opstand tegen de Bourgondische overheersing. Met een geldinzameling voor de vrijlating van Karel van Egmond, de zoon van de op het slagveld gestorven hertog van Gelre, zorgden ze in 1492 voor een opvolger voor het Gelderse hertogschap. Hiermee ontdeden ze zich weer van de Bourgondiërs, die ze vervingen voor hun oude overheerser.
Al in 1498 viel echter keizer Maximiliaan van Oostenrijk, die zich in de strijd om Gelre mengde, het Overkwartier binnen en maakte deze Limburgse gebieden hiermee voor jarenlang weer tot strijdtoneel. Toen meerdere landen zich in een jarenlang durende strijd om verschillende Limburgse en aangrenzende gebieden mengden, besloot keizer Karel V in te grijpen. Bij het Verdrag van Venlo in 1543 kwam keizer Karel V als overwinnaar naar voren en onderwierp hij de Lage Landen. Hij verenigde een groot deel van de Lage Landen, maar West-Limburg en grote delen van Oost-Limburg vielen hierbuiten. Dit verdrag van Venlo bracht daarom voor Limburg geen eenheid, maar ook geen onderhorigheid aan één en dezelfde soeverein. Deze staatkundige scheiding tussen het verdeelde Limburg en de rest van de Lage Landen zou tot aan de Franse Revolutie blijven bestaan.
Onder de Habsburgers werd binnen de Lage Landen een staatkundige eenheid gevormd, waar West-Limburg en een deel van Oost-Limburg echter geen deel van uitmaakten. Het centrum van de Habsburgse macht werd gevestigd in Brussel, voornamelijk uit strategische overwegingen tegenover Frankrijk. Dit zorgde er echter voor dat het noorden een andere machtsstructuur had dan het zuiden, waardoor er eens te meer een duidelijke tweedeling binnen de Lage Landen ontstond.
In de loop van de 15e eeuw kwam er ondanks de staatkundige verdeeldheid ook in Limburg een soort eenheid tot stand. West-Limburg stond al sinds een overeenkomst van 1518 onder sterke invloed van de Habsburgse regering in Brussel. De Landen van Overmaas werden direct vanuit Brussel bestuurd en door het Verdrag van Venlo van 1543 kwam het Gelders Overkwartier onder indirect Brussels bestuur. In het Gelders Overkwartier en de Landen van Overmaas tekende zich hiermee een bescheiden politieke samenhang af. Roermond werd een centrum waarop de gebieden onder Gelderse heerschappij, zoals de Landen van Overmaas, zich richtten. Ook op kerkelijk gebied ontstond er een grotere samenhang. Hoewel de Limburgse gebieden al langer onder het bisdom van Luik vielen, werd de kerkelijke organisatie pas vanaf de 15e eeuw meer een eenheid.
Wat ook meespeelde was dat in het midden van de 15e eeuw de gebieden in Limburg onder Gelderse heerschappij (met uitzondering van Venlo) zich in een Gelderse machtsstrijd aaneensloten tegen de Gelderse gebieden in Gelderland. Bij een ruzie tussen hertog Arnold van Gelre en zijn zoon Adolf, koos Roermond de kant van de hertog en Gelre de kant van zijn zoon. Toen Venlo zich hiertegen verzette, schaarden alle andere Limburgse gebieden zich aan de zijde van Roermond. Hieruit bleek in die tijd al dat deze Limburgse gebieden zich niet met Gelderse gebieden verbonden voelden. Die tendens zou er later voor zorgen dat deze Limburgse gebieden samengroeiden met de rest van Limburg.
In de 16e eeuw zetten de Hollanders hun oorlogshandelingen om de dominantie in de noordelijke Lage Landen voort. Naast militaire middelen gebruikten de Hollanders ook intellectuele middelen om de andere gebieden in het noorden onder controle te krijgen. Een belangrijk onderdeel hiervan was het creëren van een gevoel van eenheid, waarbij Holland moest worden geaccepteerd als politiek, moreel en cultureel middelpunt. Door de Batavieren als hun voorouders te beschouwen, maakten de Hollanders aanspraak op het leiderschap in de noordelijke Lage Landen, zoals de Batavieren onder hun leider Claudius Civilis hadden gedaan om de andere stammen onder zich te verenigen en in opstand te komen tegen de Romeinen. De Hollanders meenden zo de andere gebieden onder zich te kunnen verenigen tegen de Spanjaarden.
Deze Batavieren hadden inderdaad in een gebied van de noordelijke Lage Landen gewoond. Hun woongebied lag echter ergens tussen de Waal en de Lek in de oostelijke Rijndelta, rond het huidige Nijmegen. Anderen zijn van mening dat dit tussen de Rijn en de Waal was, waar nu de Betuwe ligt. Holland, vooral het Kennemerland, was meer het woongebied van de Canninefaten. Het noordelijk deel van Holland werd in de Romeinse tijd door de Friezen bewoond.
De andere gebieden in het noorden lieten zich niet gemakkelijk door de Hollanders overnemen. Karel V zat echter in moeilijkheden en in ruil voor Hollandse hulp gaf hij de Hollanders de mogelijkheid om de andere gebieden in het noorden steeds meer te onderwerpen aan de Hollandse invloedssfeer. In Holland heerste de opvatting dat alle belangen van de andere noordelijke gebieden uitdrukkelijk ondergeschikt moesten zijn aan die van Holland. Door het toenemende Hollandse overwicht werd die opvatting in de andere gebieden steeds meer overgenomen.
De onafhankelijkheidsstrijd van de Lage Landen onder aanvoering van de Hollanders tegen de Habsburgers begon in 1568. De eerste oorlogshandelingen van wat de Tachtigjarige Oorlog zou worden, vonden plaats in Limburg. Willem van Oranje had zijn leger in Duitsland geronseld en wilde om te beginnen Brabant bereiken. Hiervoor moest hij de Maas overtrekken en met zijn troepen Limburg doorkruisen, waarbij zijn troepen zich gedroegen als roversbendes. In de zomer van 1568 viel hij als eerste de Landen van Overmaas binnen. Heerlen werd platgebrand en de abdij van Rolduc leeggeroofd en in brand gestoken. Daarna trok hij verder Limburg in, hopend Maastricht in handen te krijgen en zo een basis te hebben van waaruit hij de rest van de Lage Landen kon binnentrekken. De aanval op Maastricht werd echter afgeslagen en de troepen trokken richting Sittard. De Weertenaren, woedend over de arrestatie door de Spanjaarden van hun heer, de graaf van Horn, sloten zich bij hen aan. De bedoeling was dat de Hollandse troepen Roermond zouden bevrijden. De overgrote meerderheid van de Roermondenaren zag hen echter niet als bevrijders en weigerden de troepen in de stad toe te laten. Omdat Limburg te sterk in handen van de Spanjaarden was, trokken de Hollandse troepen de Maas over. Stokkem, Maaseik en Hasselt weigerden zich bij de Prins van Oranje aan te sluiten en de volksopstand waarvan hij had gedroomd, bleef uit. Daarop ontbond Willem van Oranje zijn leger en gaf op.
In juli 1572 probeerde van Oranje het nog een keer en kwam weer terug. Venlo kon een aanval van de Hollandse troepen afslaan, maar Roermond werd onder de voet gelopen en leeggeroofd. Kloosters en kerken werden niet ontzien en verschillende priesters werden vermoord. De Prins van Oranje trok verder, de Maas over, en bezette Weert en verschillende Brabantse steden. Nog een derde keer kwamen de Hollandse troepen terug, dit keer onder aanvoering van Lodewijk van Nassau. Het Land van Valkenburg werd leeggeroofd en de abdijen van Rolduc en Sint-Gerlach werden in brand gestoken. Roermond en Venlo gaven niet thuis en konden niet door hem worden ingenomen. Het leger van Lodewijk werd door de Spanjaarden opgewacht op de Mookerheide en finaal verslagen.
De onrust in die tijd werd vergroot door de Spaanse troepen. Omdat de Brusselse regering geldgebrek had en haar troepen in Limburg niet meer kon betalen, begonnen deze de burgers te beroven. Hierdoor sloeg de stemming om en keerde zich tegen de Spanjaarden. De Maastrichtse burgers zetten de Spaanse troepen buiten de stad en namen het bestuur in eigen hand. In 1576 veroverde Spaanse troepen de stad weer. In 1577 echter verlieten de Spaanse troepen Limburg op grond van het Eeuwig Edict, een afspraak over de afbetaling van de Spaanse troepen en hun vertrek uit de Lage Landen. Alleen Roermond bleef bezet.
De strijd tussen de Nederlanders en de Spanjaarden duurde echter voort. De Limburgers maakten geen directe keuze tussen de twee partijen. Hoewel ze gehecht waren aan de kerk en de Spaanse koning, waren ze afkerig van de Spaanse bestuursmethode. De Hollandse Orangisten spraken hen ook niet aan. Hun protestants geloof en hun radicalisme stootte de Limburgers af. De hertog van Parma probeerde in 1579 de Limburgse gebieden weer te onderwerpen. Maastricht was de sleutel tot het hele gebied. De Maastrichtse overheid streefde naar zoveel mogelijk autonomie. De angst om de vrijheid die ze met de terugtrekking van de Spaanse troepen in 1577 had gewonnen weer te verliezen, was zo groot dat de stad een gesloten front vormde dat niet gemakkelijk was te doorbreken. Er was meer dan een half jaar intensief beleg nodig om het Maastrichtse front en verzet te breken. De Spanjaarden veroverden steeds meer Limburgse gebieden totdat in 1589 ook het Overkwartier onder Spaanse controle was.
In het Overkwartier was rond 1590 de breuk met de noordelijke Lage Landen en vooral met Staats Gelderland steeds duidelijker geworden. Al in 1600 verklaarden de Staten van het Overkwartier dat ze zich meer verbonden voelden met de Nederrijnse gebieden. In de Landen van Overmaas heerste een soort particularisme, ofwel een nadruk op de eigen belangen in de regio en de afwijzing van invloeden van buiten, waarmee men die belangen ondergeschikt wilde maken aan hun eigen belangen. Dit particularisme vond zijn oorsprong in de staatkundige verdeeldheid. Alleen de invloed van de Brusselse regering doorbrak het particularisme enigszins.
In de jaren 1630-1640, toen Limburg opnieuw het slagveld voor de Tachtigjarige Oorlog werd, lag de sympathie van de bevolking bij de Brusselse regering. Er was geen aanhankelijkheid naar het noorden, wat omgekeerd ook het geval was.
De Nederlanders hadden op zich weinig belangstelling voor de Limburgse gebieden.
In 1632 werden Maastricht en de Landen van Overmaas door de Nederlanders veroverd en vielen Roermond en Venlo in handen van de Nederlanders. Beide steden zouden echter in 1637 weer door de Spanjaarden worden heroverd, zeer tot blijdschap van met name de Roermondse burgerij. Pas in 1713 zouden Roermond en Venlo weer onder Hollandse heerschappij worden geplaatst. Hiermee kregen de Nederlanders grote delen van wat nu Oost-Limburg is in handen. De Maastrichtenaren verwelkomden de Nederlanders zeker niet en boden hen ook geen helpende hand. Omdat de Nederlanders Maastricht hadden veroverd, maakten ze aanspraak op de rechten van de Brabantse heer, één van de twee heren die het bestuur in Maastricht bepaalden.
De Spaanse troepen bleven ondertussen in Limburg rondhangen, de blik voortdurend op Maastricht gericht - ook in West-Limburg dat onder Luik viel en officieel neutraal was. In 1638 probeerde een aantal Maastrichtenaren de Hollandse troepen te verjagen door middel van een actie met de Spanjaarden gericht op het herstellen van de legitieme, wettelijke toestand, namelijk de Spaanse heerschappij gedeeld met de prins-bisschop van Luik. Uit deze mislukte actie, die door de Nederlanders als verraad van Maastricht werd gezien, bleek de onvrede van de Maastrichtenaren met de Hollandse bezetting.
De Nederlanders hadden zich in 1632 tegen de wil van de bevolking in met militaire middelen heer en meester gemaakt over Maastricht. Hierdoor werd Maastricht gedwongen een capitulatieakte te ondertekenen en een eed van loyaliteit aan de Nederlanders te zweren.
Deze inname van Maastricht werd in 1638 nog steeds niet erkend door de Spanjaarden en ook niet door andere Europese grootmachten. De Hollandse claim op Maastricht was dus alleen gebaseerd op de occupatie en niet op een juridische legitimatie. Onder de Maastrichtse burgers die aan de actie deelnamen bevonden zich geestelijken. Omdat de Maastrichtse clerus toch al geen eed van loyaliteit aan de Nederlanders had afgelegd, konden zij zeker niet van verraad worden beticht.
De Nederlanders onttrokken deze zaak echter van de burgerlijke rechtbank en eisten er de jurisdictie over op. Dit was in strijd met de Alde Caerte en een schending van de rechten van de Luikse medeheer en de burgers van Maastricht. Het proces was in ieder geval met onjuiste middelen gevoerd en met rechters die het van tevoren al eens waren over de schuld van de aangeklaagden. De beschuldigden hadden in elk geval van de aanklacht moeten worden vrijgesproken. De rechters werden door de Maastrichtenaren voor beulen en moordenaars uitgemaakt.
Na de Vrede van Münster in 1648 en het Partage-Traktaat van 1661 werden gebieden in de noordelijke Lage Landen, zoals Oost-Groningen, Drenthe, Twente en de Achterhoek, als provincies aan de Verenigde Provincies toegevoegd. Ook de door de Nederlanders veroverde Landen van Overmaas en hun deel van Maastricht werden aan de Nederlanders afgestaan. De rest van Oost-Limburg viel grotendeels onder Brussel, terwijl West-Limburg nog steeds onder het gezag van Luik stond, zodat deze gebieden niet bij de Verenigde Provincies hoorden. Aan het einde van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) en in de jaren kort daarna tot aan de Franse Revolutie werd Limburg verder in stukken opgedeeld.
De gebieden in de noordelijke Lage Landen werden gelijk behandeld aan de andere territoria in het noorden en kregen zelfbestuur of vertegenwoordiging in de Staten-Generaal van de Republiek. De Limburgse gebieden echter niet. Zij werden direct vanuit Den Haag geregeerd, zonder medezeggenschap over hun eigen aangelegenheden. Tot aan de tijd van de Franse Revolutie werden er Hollandse ambtenaren aangesteld om de gebieden te besturen. Deze Limburgse gebieden werden direct vanuit Den Haag bestuurd, als een soort wingewest. Oost-Limburgers bezaten geen politieke rechten binnen de staat die hen overheerste.
Bronvermelding
Borromeus, Maastricht in de Tachtigjarige Oorlog, Vos Maastricht, 1948.
Israel, J. I., De Republiek 1477-1806, 5e druk, Van Wijnen Franeker, 2001.
Jappe Alberts, W., Geschiedenis van de beide Limburgen, deel I, Van Gorcum Assen, 1972.
Jappe Alberts, W., Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers, Elsevier Amsterdam, 1981.
Jappe Alberts, W., De Staten van Gelre en Zutphen, Deel II, Groningen, 1956.
Knuvelder, G., Vanuit wingewesten; een sociografie van het zuiden, Brand’s Hilversum, 1930.
Lammers, C. J., Nederland als bezettende mogendheid 1648-2001, KNAW Amsterdam, 2003.
Linssen, C. A. A., Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen, Van Gorcum Assen/Maastricht, 1985.
Thewissen, Ch., Het Hollands tijdperk te Maastricht (1632 – 1638), Voghelstruys-reeks nr. 2 Maastricht, 1959.
Ubachs, P. J. H., Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Verloren Hilversum, 2000.
Ubachs, P. J. H., Evers, I. M. H., Ongewilde revolutie; het Limburgs Maasland onder Frankrijk 1794-1814, LGOG nr. 130 Mestreech, 1994.
Vlekke, B. H. M., Van ’t gruwelijck verraet in den jare 1638 op Maestricht gepractiseert; studies over de vestiging van het Staatsche gezag over Maastricht in de jaren 1632 tot 1639, Neerlandia Antwerpen, 1938.
Wouters, H. H. E., Grensland en Bruggehoofd; Het Limburgse Maasdal gedurende de 80-jarige oorlog en de 30-jarige oorlog, 1543 – 1663, Assen, 1970.